Gestruikeld in de rest

Hoe het gaat? Goed, dank je. Ja, ik werk weer, of nog steeds eigenlijk, en sinds een dag of wat denk ik ook weer hardop na, bloggend bedoel ik. Een half jaar niet gedaan. Omdat ik uit wilde vinden hoeveel de parkinson met mij doet, hoeveel er over blijft, en of dat genoeg is om volop te werken voor mijn krant, en wat er dan nog rest aan fut, fantasie en wil.

Valt het dan mee? Niet echt. Ik ben het afgelopen jaar tamelijk hardhandig in de rest van mijn leven gestruikeld. Van alles kunnen en nog meer willen, ben ik abrupt terecht gekomen in een jaar waarin ik zuinig ben, telkens moet afwegen of ik nog een uurtje door ga, of toch maar even ga liggen. Of ik iets afmaak, of uitstel. Aan iets nieuws begin, of dat maar laat.

Ik ben weer gaan bloggen omdat ik over oude en nieuwe media blijf nadenken, of ik dat nou wil of niet. Als je dat al vijftien jaar doet, bijna onafgebroken tussen alle andere bedrijven door, kun je daar niet zo eenvoudig mee stoppen. Zoals een wielrenner een groot hart kweekt, en het wielrennen uit zijn lijf moet trainen als hij besluit te stoppen.

Hoorde van de week op de radio een man praten die een nieuw hart had gekregen, vier jaar terug, en nu campagne voert voor orgaandonatie. Hij heeft zijn hart een jaar of vier, en hoopt nog een halve triatlon te doen voordat dat hart er ook mee ophoudt; zo’n tweede hart gaat geen leven lang mee, maar slechts een tiental jaren, als ik het goed begreep.

Hij leeft, zei de man, in reservetijd. Dat maakt op een bepaalde manier alles licht en betrekkelijk. Ik herkende dat, niet omdat parkinson te vergelijken valt met een hart dat stopt; aan parkinson ga je niet dood. Wat me trof was die opgewekte lichtheid, het optimisme, tegen alles in.

Zo moest het maar. Ik kan minder dan ik kon, maar nog heel veel wel. Hardop nadenken bijvoorbeeld.

Reacties zijn gesloten.