Bericht uit Berg en Dal

Op het terras voor een witte villa in de bossen van Berg en Dal zit een man. Het is vroeg in de ochtend. Er schijnt een waterig zonnetje. De man rookt een sigaar en kijkt naar de bomen in het park, de oprijlaan naar de villa, de vijver en de fontein en het bos daarachter. Die man ben ik.

En ik zie mijzelf zitten, zoveel jaar later, als een verpleger mij naar het zonnige plekje op het terras heeft gereden, een grofgeruite plaid over mijn koude benen heeft gelegd, en mij een vuurtje geeft omdat ik mijn sigaar niet meer zelf kan aansteken.

Zoiets. Het kon minder.

Wat moet je met zo’n beeld dat zich onherroepelijk opdringt als je een paar dagen weg bent, ‘uit in eigen land’, als je door het museum in Arnhem bent gedwaald, en een film hebt gezien, en in het Nijenhuis bij Wijhe nog meer werk van Paul Citroen hebt bewonderd, en samen met S. twee keer een lange wandeling hebt gemaakt, over een berg en over de hei van Mook.

Het is wat ik meemaak. Ik noteer het in een dagboek dat ik grotendeels gesloten houd voor meelezers. Daarin schreef ik ook dat ik, toen mij verteld werd dat ik Parkinson heb, besloot dat die ellende mij op de een of andere manier goed moest doen. Ik wilde ervan leren, zoals ik altijd tamelijk romantisch heb geloofd dat je alleen echt kon genieten, echt volop gelukkig kon zijn, als je bereid was ook kopje onder te gaan in het verdriet dat erbij hoort.

De ziekte heeft me wakker geschopt. Ik hoef geen haast meer te maken, professionele ambities kunnen op een laag pitje, ik zou gaan schrijven en genieten, zo lang als het nog kon. Dat heeft een tijdje goed gewerkt. Toen kwamen de dagelijkse sores terug. Misschien wel versterkt doordat de fysieke klachten weer opdoken, de somberheid weer toesloeg. Misschien ook omdat die klachten bij het leven horen, in elk geval bij het leven van man van middelbare leeftijd die niet meer zo heel goed kan tennissen, vergeetachtig wordt, soms wat angstig de wereld om hem heen beschouwt – de verrechtsing, de crisis, de hufterige onverdraagzaamheid -,  en zich realiseert dat die grote roman misschien nooit meer wordt gemaakt.

Het kon minder.