De initialennorm is aan het schuiven

Sinds jaar en dag – om precies te zijn sinds 1953 – hanteert de Nederlandse pers de fatsoensnorm dat verdachten alleen met initialen worden aangeduid, tenzij dat potsierlijk is omdat iedereen al weet welke bekende Nederlander achter die initialen schuil gaat. Over het algemeen respecteren we de privacy van verdachten en veroordeelden, vooral omdat ze ooit weer terug moeten kunnen keren in de maatschappij.

Die norm is aan het schuiven. Afgelopen week stelde de Amsterdamse rechtbank een zakenman in het ongelijk die een schadevergoeding eiste van 95000 euro omdat hij met naam en toenaam wordt genoemd in een boek over de in opspraak geraakte “bedrijvendokter” Joep van den Nieuwenhuijzen. Belangrijke overweging daarbij is dat de man werd genoemd in zijn professionele rol: als controller van Van den Nieuwenhijzen was hij medeverdachte.

Leesbaar

De uitspraak trekt de aandacht omdat de zakenman eerder door de Raad voor de Journalistiek in het gelijk was gesteld, en die uitspraak gebruikte als opstapje voor de claim bij de rechtbank. De Raad vond dat het noemen van de volledige naam achterwege had kunnen en moeten blijven; het boek van journalist Philip de Witt Wijnen was er niet minder leesbaar van geworden.

Dat de Raad iets anders vindt dan de rechter is niet nieuw, en elders al besproken. Soms is de een strenger, soms de ander. En wat de Raad ontoelaatbaar acht, en dus in strijd met de journalistieke mores, hoeft nog geen onrechtmatige daad te zijn – het zou het professionele leven van notoire querulanten als Rutger Castricum onaangenaam duur maken. Interessanter is dat de uitspraak van de rechter in de Joep-zaak laat zien dat de journalistieke norm uit 1953 verouderd raakt.

Van der G.

Ik kan een paar oorzaken bedenken. In de eerste plaats de opkomst van internet. Vroeger wisten alleen wat politieverslaggevers en een enkele bezoeker van de rechtbank hoe die crimineel echt heette – nu achterhaalt iedereen op Google alles over de aangehouden verdachte, en verspreidt die informatie zich zo snel dat je als pers soms alleen nog krampachtig aan de initialennorm kunt vasthouden. Wie Volkert van der G. niet met zijn volledige naam noemt, beschermt daarmee niet meer diens privacy.

Een andere oorzaak is internationalisering. In andere landen, met name Groot-Brittannië, is de pers veel minder terughoudend. Omdat we via internet zo makkelijk over de grens kunnen kijken, dringt die ethiek ook hier door; de invloed van Britse en Amerikaanse media is nu eenmaal groter dan die van Scandinavische landen, waar men ook behoedzamer omgaat met de privacy van verdachten.

Er is een derde, nog opvallender trend voor het uit de mode raken van die Nederlandse journalistieke norm. Dat heeft iets te maken met onze eigen opvattingen over privacy en openbaarheid; we leven een minder besloten leven dan in de jaren vijftig. Alles is wat publieker geworden. Kijk ook even hoe nonchalant met name jongeren omgaan met de gebruiksvoorwaarden van Google en Facebook; misbruik van persoonsgegevens, het zal ze worst zijn, vaak.

Minder soft

Bovenop die andere perceptie van wat publiek is en wat privaat, komt dat we – niet speciaal de pers, maar de hele samenleving – de laatste tien jaar anders met verdachten omgaan. Minder soft, zou je zeggen, harder, zakelijker. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren, dat werk. De trend in de strafrechtspraak is langer straffen, het belang van re-integratie van verdachten in de samenleving is minder groot en vanzelfsprekend dan in de jaren tachtig.

De uitspraak van de Raad voor de Journalistiek in de Joep-zaak deugde, ook al oordeelde de Amsterdamse rechtbank anders. De Raad kwam tot een oordeel dat volledig in lijn is met eerdere uitspraken. De vraag is of dat oordeel nog voldoende gedragen wordt door de manier waarop de samenleving over privacy van verdachten denkt. Vinden we nog steeds dat een verdachte van een zwaar misdrijf ook een frauderende zakenman alleen met initiaal aangeduid moet worden?

Ik ben begonnen te aarzelen. Ik ben opgegroeid met het vanzelfsprekend gebruik van initialen. Maar los van de praktische veranderingen – internet, internationalisering – moet ik toch onderkennen dat die ethische norm onder druk staat. Hoe groot die druk is, ik weet het niet. Je zou om te beginnen eens vijfhonderd studenten journalistiek moeten vragen naar hun norm, om een indruk te krijgen, bedoel ik.