Beter uitdoven dan opbranden

“Beter opbranden dan uitdoven.” Dat credo van de Rotterdamse dichter Jules Deelder heb ik twintig of dertig jaar geciteerd als ik mijzelf wilde uitleggen waarom ik zo’n blinde haast had. Haast om te schrijven, haast om beter te worden, haast om haast te hebben. Dat is over. Een burn-out zal mij niet meer overkomen. Ik doof langzaam uit, en kan daar best mee leven.

Ik weet waarover ik het heb. Ooit, het moet in 1995 zijn geweest, ben ik tegen een muur aangelopen. Voor de Volkskrant was ik betrokken bij het begin van het katern Stroom, de onwaarschijnlijk ongelukkige naam voor een mediakatern. Vlak voor de start van dat katern viel een collega uit, met de beste reden die je voor zoiets kunt bedenken, heftig verdriet.

Enkele maanden lang werkte ik nog wat harder dan normaal. Ondertussen kwam mijn eerste boek uit, Hotel Almere, dat niet helemaal werd ontvangen zoals ik hoopte. In Vrij Nederland werd het genadeloos gerecenseerd, waarschijnlijk niet helemaal ten onrechte. De welwillende besprekingen elders maakten dat niet goed. Ik was nogal op mijn ziel getrapt.

De burn-out die op die maanden volgde, en door wel meer werd veroorzaakt dan stress en teleurstelling, duurde ook weer een paar maanden. Toen het voorbij was, wist ik dat het mij geen tweede keer zou overkomen. Als je de symptomen kent, wordt het eenvoudiger die te relativeren. Dat zal niet voor iedereen gelden, maar gold wel voor mij.

Het is grote ironische grap: wat er ook gebeurt, ik zal niet meer doordraaien van haast, overmoed en zelfoverschatting. De langzaam afstervende zwarte cellen in mijn hersenpan – verantwoordelijk voor Parkinson – remmen me af, laten me slapen voordat de haast terug kan komen. Dit tempo bevalt me zeer. Ik doof uit, heel langzaam als het meezit.