Zilveren zwaluwen

Je kunt geuren gaan zien en kleuren gaan ruiken. Zeggen de kenners. Het is niet eens mijn minst aanlokkelijke vooruitzicht, want mijn reukvermogen is al jaren niet meer wat het was. Als ik kan zien hoe de lente ruikt, of een pan kruidige soep, om maar te zwijgen van de huid van een vrouw, lijkt me dat een openbaring. En dat kleuren een geur hebben, neem ik dan wel op de koop toe.

Ik heb het over hallucinaties, dingen zien, ruiken, horen en voelen die er niet zijn. Ze horen volgens neurologen bij de ziekte van Parkinson. Tot voor kort werd aangenomen dat hallucinaties zich kunnen voordoen als bijwerking van medicijnen, van de levodopa die ik slik – drie maal daags 125 milligram, twee kleine banaankleurige pilletjes.

Met die pillen compenseer ik tamelijk effectief het tekort aan dopamine, de stof die de substantia nigra, de te snel afstervende groep ‘zwarte cellen’ in mijn hersenen, onvoldoende aanmaakt. Van te weinig dopamine gaan Parkinsonpatiënten trillen, worden ze stijf en traag, gaan ze kwijlen, verdwijnt hun reuk, verkleint hun handschrift tot gepriegel en wordt spreken lastig.

Deze maand promoveert een onderzoekster aan de Rijksuniversiteit Groningen op een studie die  suggereert dat visuele hallucinaties niet door medicijnen worden veroorzaakt, maar door de ziekte zelf, of door een andere defecte neurotansmitter. Ik las dat bericht de ochtend nadat ik ‘s nachts, meer wakker dan slapend, een zwerm zilveren zwaluwen boven mijn bed had waargenomen.

Die zwaluwen, stil en klein als vliegende flarden zilverpapier, zijn achteraf goddank minder clichématig dan de “roze olifantjes” waarvoor het lemma in Wikipedia waarschuwt. Angstaanjagender ook. Een stuk of wat nachtmerries hadden me al gewaarschuwd voor wat komen zou, als de trailer van een film, maar het lukte me niet die eerste hallucinatie weg te denken, terug te rationaliseren tot de proporties van een verrassende, kwade droom.

Een dag lang was ik ontregeld. Zoals je ook urenlang in de war kunt zijn van een plotselinge verliefdheid, van een overdonderende film of een splijtende en verzengende roman – en soms van niet meer dan de onverhoeds als glasheldere droom opduikende herinnering aan die verliefdheid. Ontregeld en verbaasd was ik, over het vreemde loopje dat mijn verstand met mij nam.

“You never know when you’re insane.” Dat regeltje van Brian Protheroe is me altijd bijgebleven. Je bent pas gek als je niet meer door hebt dat je gek bent. Dat benul is zowel beangstigend als geruststellend; je bent er zelf ‘niet meer bij’ als het misgaat. Dat ik mij niettemin door mijn zilveren zwaluwen liet verrassen, komt doordat ik zo dom was te veronderstellen dat ik slimmer zou zijn.

Achteraf is het fascinerend hoe je bewustzijn, je denken en waarnemen, schommelt. Dromen, aangename zowel als kwade, laten zich vrij eenvoudig op hun plaats zetten, soms nog terwijl je droomt. Dromen lijken op illusies: je weet dat je voor de gek gehouden wordt, door je verstand of door Hans Klok. Maar van hallucinaties is pas sprake als je ze zelf niet herkent. Het is simpelweg onvoorstelbaar dat dat vliegende zilverpapier alleen in jouw brein kan bestaan.

Reacties zijn gesloten.