Peter Vandermeersch biedt excuus aan – maar waarvoor eigenlijk?

Hoofdredacteur Peter Vandermeersch biedt zijn excuses aan voor de berichtgeving in NRC Handelsblad kort na het ongeluk van Prins Friso. Dat nieuws klopte niet. Het was ten onrechte geruststellend. In één moeite door lijkt Vandermeersch het boetekleed aan te trekken voor wat zijn krant nog meer misdaan zou hebben. Volgens critici was het onethisch om medische informatie over Friso naar buiten te brengen. NRC schond, zei men, de privacy van de prins.

Vandermeersch besloot tot zelfonderzoek. Wat ging er mis toen verslaggeefster Jannetje Koelewijn door stom toeval – haar man, neurochirurg Kees Tulleken, was er gast op een congres – in het Oostenrijkse ziekenhuis rondliep waar Friso was opgenomen? Hoe kon het gebeuren dat NRC uitpakte met Koelewijns hoopgevende verhaal (‘Hoe houdt het brein van de prins zich‘), terwijl een week later zou blijken dat Friso misschien nooit meer uit zijn coma ontwaakt?

Vandermeersch vroeg oud-Volkskrant-ombudsman Thom Meens om een oordeel. Diens kritiek is keihard. Het verhaal van Koelewijn had “nooit zo in de krant gemogen”. Dat is natuurlijk een open deur waar het gaat om de feitelijke juistheid van Koelewijns verhaal. De verslaggeefster wekte de indruk dat Friso een goede kans op herstel had, omdat hij geen schedelbasisfractuur had, in tegenstelling tot wat de geruchten in Lech suggereerden.

Daarna blijft Meens hangen. Wat deugde er nog meer niet aan dat verhaal? Hoe zit het met dat medisch beroepsgeheim en de privacy van de prins? Het gekke, verwarrende en onbevredigende is dit: Meens en NRC vertellen niet wat er echt misging.

Open vizier

Meens heeft alle betrokkenen in de kwestie gesproken. Hij heeft een rapport van zestien pagina’s opgesteld. Daarvan staat een samenvatting in NRC. Meens stelt vast dat Koelewijn als echtgenoot van Tulleken in het ziekenhuis was, zich pas daarna als journalist bekendmaakte, en dus niet “met open vizier” werkte. Ze baseerde zich op slechts één bron, en heeft geen wederhoor gehaald bij de Rijksvoorlichtingsdienst.

Die conclusies zijn op zijn minst opmerkelijk. Uit het verhaal van Koelewijn blijkt niet dat zij zich stiekem in het kielzog van Tulleken het ziekenhuis heeft ingerommeld. Integendeel: ze zou zich bekend hebben gemaakt als journaliste zodra ze tegen nieuws aanliep. Dat moment kwam toen zij met Tulleken in gesprek raakte met Claudius Thomé, de “behandelend arts” van Friso. Koelewijn schreef het gematigd positieve nieuws over de prins aan hem toe.

Ik zie nog steeds niet wat er principieel mis is met die handelwijze. In de journalistiek worden dagelijks talloze berichten gemaakt die afkomstig zijn van één met name genoemde autoriteit als bron. De politie doet onderzoek. De bankpresident vindt iets van hypotheekrente. De minister is boos. Achteraf ligt het natuurlijk anders. Die Thomé ontkende dat hij de behandelend arts van Friso was, en sprak het verhaal van Koelewijn tegen.

Maar wat?

Dat er iets verschrikkelijk mis ging, is duidelijk. Maar wat? Dat maken NRC en Meens nu nog niet duidelijk. Was Thomé nu wel of niet de behandeld arts – en waarom heeft niemand bij NRC dat gecheckt? Wat heeft hij echt gezegd? Wanneer precies heeft Koelewijn zich bekend gemaakt als journaliste? Had ze haar informatie en de quotes uit de eerste hand of zijn die ten dele doorgegeven door haar echtgenoot Tulleken?

De precieze toedracht doet er toe. Ook als het gaat om het verspreiden van medische gegevens over Friso – is dat nou wel of niet ethisch? – wordt uit het relaas van Meens niet duidelijk waarom hij zo hard is in zijn kritiek. NRC had wederhoor moeten plegen bij de RVD, zegt hij. Maar waarom eigenlijk? Koelewijn schreef niets negatiefs op over de prins, niets beschuldigends – eerder bijna in tegendeel. Of bedoelt Meens dat NRC de medische gegevens pas had mogen afdrukken als ze door de RVD waren bevestigd?

In zijn samenvatting in NRC zwijgt Meens over de twee meest besproken kwesties rond Friso. Werd diens privacy geschonden? En mocht de krant überhaupt medische gegevens afdrukken? Overtreed je dan enige code, of schendt alleen de arts Thomé zijn medisch beroepsgeheim – en hoe precies is de rol van Tulleken als eregast, echtgenoot, deskundige en – eventueel – doorgeefluik? Meens en NRC gaan niet in op de feiten, waardoor je je als lezer geen oordeel kunt vormen.

Het siert Peter Vandermeersch en NRC dat zij excuus maken voor een verhaal dat niet klopte. Maar de analyse van Meens is onbevredigend. Een oordeel over meer dan de vaststelling dan dat het verhaal van Koelewijn niet “waar” was, kunnen we ons niet vormen; we missen feiten. Dat wringt des te meer omdat zonder die details de verwijten van Meens (NRC had meer bronnen moeten hebben en wederhoor moeten plegen) tamelijk onnavolgbaar zijn.