Een goed verhaal heeft een held nodig

Een goed verhaal heeft een held nodig. Zegt Jack Hart. Hij zal het weten, want Hart werkte als redacteur mee aan vier journalistieke verhalen die een Pulitzer wonnen. Een echt verhaal, zei Hart donderdag tijdens een masterclass in Amsterdam, een verhalend verhaal, gedijt op een sympathieke hoofdpersoon met wie lezers zich kunnen identificeren. Maar kranten schrijven alleen over criminelen en slachtoffers. “En daarvan leer je niets, behalve verliezen.”

Hart geldt als een van de grote pleitbezorgers van “narratieve journalistiek”, van waar gebeurde, door en door gecheckte verhalen die geschreven zijn met literaire technieken. Spanningsboog, perspectief, monologue intérieur, scènes – dat soort werk. Denk in Nederland aan het werk van Judith Koelemeijer en Frank Westerman. Of aan De Prooi van Jeroen Smit, een reconstructie waarin niet een keer een geïnterviewde direct wordt gequoot.

Wie wil weten hoe literaire non-fictie – nog weer een andere aanduiding voor het genre – werkt, moet Hart lezen (bijvoorbeeld Storycraft). Nog eenvoudiger bereikbaar zijn de Pulitzerprijs-winnende verhalen waaraan hij als redacteur van The Oregonian meewerkte, zoals The Boy Behind The Mask, van Tom Hallman. Dat verhaal draait om een jongen met een ernstig mismaakt gezicht en een gevaarlijke operatie.

Storytelling

Even afgezien van de vraag of die jongen, Sam, een held is waarmee de lezer zich werkelijk kan identificeren (Hart heeft nog betere voorbeelden), illustreert het verhaal van Hallman dat storytelling in de VS al jaren eerder vaste voet aan de grond kreeg dan in Nederland. Dat is natuurlijk begonnen met het new journalism van Truman Capote (In cold blood), Hunter S. Thompson (Hell’s Angels), Tom Wolfe (The right stuff) en Gay Talese (onder veel meer: Frank Sinatra has a cold).

In Nederland heeft het new journalism een tijdlang een podium gehad bij onder andere de oude Haagse Post. In de jaren negentig is het genre langzaam uit de reguliere nieuwsjournalistiek verdrongen, vooral omdat kranten en tijdschriften gingen geloven dat kort de maat was, en afstandelijk de norm. Tegelijkertijd leefde literaire non-fictie op vanuit die andere hoek, de literatuur, omdat uitgever Emile Brugman van Atlas auteurs als Geert Mak, Frank Westerman, Benno Barnard en Geert van Istendael boeken liet schrijven op het raakvlak van journalistiek en literatuur. Bij Atlas verscheen ook mijn Hotel Almere.

Betere verhalen, beter verteld

Voor de journalistiek in Nederland zou het een zegen zijn als storytelling weer tot het standaard repertoire ging behoren, meer regel werd dan de uitzondering die – gelukkig – wordt bekroond met Tegels. Al enkele jaren beweer ik dat het vak het nu moet hebben van “betere verhalen, beter verteld”. Daarmee doel ik uiteraard op onderzoeksjournalistiek; vertel de lezer wat hij nog niet kan weten. En doe dat bovendien door beter te vertellen, meeslepender, verleiderlijker, overtuigender, gepassioneerder.

Dat het de goede kant op gaat, bewijst de weerklank die Luuk Sengers en Mark Lee Hunter krijgen met hun handboek over story-based inquiry. Daarin leggen ze uit hoe onderzoeksjournalistiek kan profiteren van literaire verhaaltechnieken, als de schrijver zich er tenminste al tijdens zijn onderzoek van bewust is hoe hij zijn verhaal wil gaan vertellen. Het is net zo’n aanrader als het boek van Jack Hart, of de site van Verhalende Journalistiek – van de organisatoren van de conferentie vorige week waar Hart een van de sprekers was.