De privacynorm is aan het schuiven

Wie begrijpt het nog? Eerst zien we op televisie hoe twee gewapende jongemannen in Den Haag een juwelier overvallen. Op de schokkerige beelden van de beveiligingscamera is het duo, dat zich wat knullig lijkt te hebben vermomd met feestbrillen, tamelijk goed herkenbaar. Als de politie er niet in slaagt de mannen snel aan te houden, zet justitie een zwaarder middel in. De twee mannen hebben juwelier Ruud Stratmann doodgeschoten. Dat rechtvaardigt, vindt het openbaar ministerie (OM), een klopjacht waarbij hun foto’s en namen worden vrijgegeven.

Een dag lang staan de twee mannen op de voorpagina’s van kranten als het AD en de Telegraaf. Ook het meestal terughoudende NOS Journaal laat hun portretten zien, niet in de laatste plaats omdat de harde aanpak van justitie zelf nieuws is. Maar een dag later, als de politie de twee mannen heeft aangehouden, krijgen ze in de pers weer een balkje over hun ogen. En worden hun namen afgekort tot Sandro G. en Ziya B. Dat wil zeggen: in de meeste kranten. De Telegraaf laat het duo gewoon zien. De site van de NOS ook.

De laatste jaren zet justitie steeds vaker de media in bij ernstige misdrijven. De privacy van verdachten weegt volgens het OM dan minder zwaar dan het opsporingsbelang. Kranten, tijdschriften en omroepen gaan daar op hun beurt in mee. Ze waken ervoor dat ze een verlengstuk van justitie worden, maar vinden dat ze wel gewoon het nieuws moeten melden. En als justitie zelf besluit namen en foto’s van verdachten vrij te geven, laten bijna alle media hun eigen basisregels varen.

Privacy

Normaal gesproken beschermt de pers de privacy van verdachten – en ook van veroordeelde criminelen en slachtoffers, trouwens. Anders dan bijvoorbeeld in Engeland, waar verdachten met naam en toenaam in de krant staan, houden de meeste journalisten in Nederland vast aan die ethische norm. Criminelen moeten een kans hebben ooit weer terug te keren in de maatschappij; bovendien tref je ook hun familie als je hun volledige namen noemt. Maar die norm is aan het schuiven.

Justitie zet sneller zwaardere opsporingsmethoden in. Rechters straffen harder. En de samenleving heeft ook minder pardon met criminelen. In die trend past dat de pers langzaam maar zeker minder scrupules heeft als het om de privacy van verdachten gaat. Het opinieweekblad Elsevier noemt criminelen als het zo uitkomt gewoon bij naam en toenaam. Als argument wordt vaak aangevoerd dat het weinig zin heeft de identiteit van een misdadiger te verhullen als diens naam ’overal op internet’ te vinden is.

Daar zit wat in. Via Facebook en Twitter gaan namen en foto’s van verdachten vaak razendsnel rond. Op internet zijn buitenlandse media te volgen. Wat eenmaal op internet staat – ook de portretten van de twee Haagse overvallers – blijft daar bovendien jaren later nog simpel te vinden. Is het dan niet krampachtig om te doen alsof er nog iets aan privacy te beschermen valt? Wordt dat niet net zo potsierlijk als wanneer we een bekende Nederlander afkorten tot ’de wegens dronken rijden aangehouden Katja S.’

Balkjes

Na de aanhouding van het duo overvallers brachten de meeste kranten, ook Dagblad van het Noorden, de krant waarvoor ik schrijf, balkjes aan over de ogen van Sandro G. en Ziya B. Daarmee zijn het weer gewone verdachten geworden, die recht hebben op een gewoon proces en niet onnodig extra gestraft moeten worden door de media, ook al omdat hen dat mogelijk weer strafvermindering oplevert. Maar niet alle media zijn zo prudent. De Telegraaf laat de gearresteerde overvallers (’harteloos moordduo’) opnieuw voluit zien. DeNOS past beelden op de site (nog) niet aan.

Wat tien jaar terug nog een simpele journalistieke regel leek – verdachten kregen dat balkje en die initiaal – is nu complexer geworden. Meer dan ooit moeten media per geval beoordelen of de privacy van een verdachte misschien minder belangrijk is dan dat hij zo snel als mogelijk wordt opgepakt. En wat vandaag nog getoond kan worden, moet morgen worden weggelaten. Veel dichter in de buurt van zorgvuldige journalistiek komen we niet, ook al verwacht niemand dat de gezichten van Sandro G. en Ziya B. overmorgen al vergeten zijn.

Ik ben redacteur van Dagblad van het Noorden en lid van de Raad voor de Journalistiek, maar schreef dit stuk op persoonlijke titel. Het verscheen op 4 mei in Dagblad van het Noorden.