Een strohalm als pen

23 mei 2012 Geen categorie 1

Met B. wandel ik op een late woensdagmiddag door de Amsterdamse Warmoesstraat. Wonderschone dag, de steeg is vol en traag als stroop. Het begint warempel lente te worden, boven het plaveisel zindert het en ik probeer uit te leggen waarom ik schrijf over wat mij overkomt. “Het moet”, zeg ik. Het is wat ik ben. “En zoveel andere opties zijn er niet.” Wat moet ik anders? “Met optimisme heeft het niet zoveel van doen”, zeg ik.

We lopen langs hotel Winston. Ik kwam daar vroeger soms, als alle andere cafés in de binnenstad gesloten leken en wij nog wel wat dieper de nacht in wilden, onsterfelijk als we waren, en ook wel een tikje bedwelmd door de zelfkant en het bier en de vrolijke overmoed – in staat, zeg maar, om in een nachtclub te belanden, of in een illegaal casino, of te verdwalen in een discussie over de zin van alles.

“Met optimisme”, zeg ik tegen B., “heeft het niets te maken, dat schrijven van mij, die publieke verslaglegging van ongemakken.” En terwijl we de hoek omslaan naar de Beurs en een fietsend meisje B. bijna van de sokken rijdt, begin ik me te realiseren dat het me stoort, dat er iets scheef zit, even hinderlijk als een tremor die me het schrijven belet, of het obstinate spasme in de eigenwijze wijsvinger van mijn linkerhand.

Verdomme, denk ik, optimisme hoeft niet.

Vrolijke anamnese
Wat mij overkomt heet de ziekte van Parkinson. Wat ik ben dicteerde dat ik al tijdens de anamnese, vroeg in de middag van 21 juni vorig jaar, een co-assistente nam de klinische vragenlijst door en liet mij als een kleuter op en neer lopen in de spreekkamer en grillige handgebaren maken die met rechts wel wilden maar never-nooit met links meer zouden lukken – wat ik ben, bepaalde dat ik ter plekke dacht: “Dit is een verhaal.”

Daarvoor geneer ik mij. Een vreselijke tijding, want dat is het, dient met ontzag te worden aangehoord. Geen goed moment voor het soort journalistieke opwinding dat je invalt bij een lekkere uitslaande brand of een politiek delirium bij GroenLinks. Maar ik nam mijn opgewektheid mee naar buiten, besefte dat mijn leven er plotseling heel anders voor stond, nam mij nog in de slome draaideur naar buiten voor te genieten van wat mij nog restte, en begon te schrijven.

Eerst in een Moleskin-dagboekje. Toen in een Google-document dat S., mijn liefste lief, kon meelezen. Daarna op mijn blog, omdat schrijven nu eenmaal zoiets als gelezen worden met zich meebrengt, niet anders dan een stamppot andijvie eters. Met dat schrijven begon het misverstand te ontstaan. Hoe zal ik dat nou zeggen? Lezers vinden het van kracht getuigen, “sterk dat je dat doet”, “fijn dat je er mee kunt omgaan”, terwijl ik denk: godsamme.

Realisme is voor losers
We moeten optimistisch zijn. Realisme is voor losers. Optimisme staat in aanzien. Optimisme loont. Het stuwt je bedrijfsresultaat op in een neergaande markt, het laat je Idols of de Olympische hordeloop winnen, en het geneest. Met diep respect denken we terug aan Lance Armstrong die teelbalkanker overwon, op louter wilskracht, en zeven maal zegevierend de Champs Elysées op draaide. Dat statistisch onderzoek ook het tegendeel heeft aangetoond – wilskracht maakt, pardonne le mot, geen bal uit -, vergeten we liever.

Optimisme – always look on the bright side of life – hoort bij de menselijke natuur, dat snap ik wel. Vermoedelijk is het sterker dan wij zelf. We overschatten – schreef de neurologe Tali Sharot in haar boek The Optimism Bias – de toekomst, het maatschappelijk succes van onze kinderen, onze carrièrekansen en het weer, en we onderschatten het noodlot, de kans op tegenslagen, op scheiding, bankroet en werkloosheid.

Neurologisch zijn we zo ingericht, vermoedt Sharot, geloof ik. Ons optimisme schijnt vastgelegd te zijn in de frontale hersenkwab, of daaromtrent. Daar zal wel iets evolutionairs aan ten grondslag liggen: gegeven het aardse tranendal met al zijn risico’s, misère en tegenslagen, zouden we al lang uitgestorven zijn als onze hersenen ons niet zouden belonen voor optimisme. Die roze bril is zoiets als geilheid; het helpt bij het in stand houden van de soort.

Ons onverbeterlijke optimisme dicteert ook dat we geloven in de zin van het leven, liever dan in de absurde toevalligheid ervan. Het zou mij niet verbazen als ook dat in neurologische zin hard wired is: onze hersenen dwingen ons als het ware in God te geloven, of, als dat wat meer in de mode is, in een ietsisme. Geloof in een betere toekomst, en een leven na de dood, is het evolutionaire antwoord op het kille en verlammende besef dat we sterfelijk zijn.

Het optimistisch imperatief
Aan de straatkant van de filosofie bestaat zoiets als het optimistisch imperatief. Optimisme als voorwaarde. Als norm en gebod. De wetenschapsfilosoof Karl Popper, bekend van De open samenleving en haar vijanden, heeft optimisme zelfs “een morele plicht” genoemd. Als samenleving zijn we niet gedoemd, de toekomst ligt open en samen moeten we er het beste van maken – de wereld verbeteren kan, en moet.

Als pragmatisch instrument voor een betere samenleving, desnoods tegen beter weten in, geloof ik daar van harte in, “linksmens” als ik ben, maar in mijn eigen alledaagse bestaan kan ik er niet zoveel mee. Te rationeel, te nuchter.

Ik wil graag geloven in vooruitgang. Ik schrijf, maar niet heel erg goed. Een dozijn gepubliceerde gedichten. Vier boeken, waarvan ik er twee op eigen kracht schreef, en twee leunend op anderen. Een paar honderd reportages, het bezinksel van 35 jaar journalistiek. Een roman in status nascendi, die meer en meer een trapveldje wordt waarop ik soms pingel, dan weer een splijtende pass probeer en doorgaans dagdroom over de ideale spits. Maar bij lange na nog geen roman.

Toch geloof ik in progressie, maar dan als middel, niet als doel. Streven is een truc, geen geloof, laat staan een gebod.

Ik heb nooit de aanvechting van irrationeel optimisme gehad. Mij lijkt het de kortste weg van A naar B te accepteren dat het leven absurd is, en net zo tijdelijk. Zoals het ook meer voor de hand ligt te aanvaarden dat we nooit een vinger achter de oneindigheid van het heelal zullen krijgen, of diep in het diepste van het allerelementairste deeltje. Het is als met wiskundigen die moeten aanvaarden dat delen door nul niet kan, verboden is, nergens toe leidt.

Wiskundigen hebben weinig aan optimisme.

Het kan altijd beter
Vriendin Y. heeft van Poppers aansporing haar levensmotto gemaakt, en dat is hartverwarmend. Zoals ik ook mag hopen dat het land bestuurd wordt door politici die er nog een gat in zien. Maar er bestaat ook een dwaze, wellicht tikje perverse variant van dat optimistisch imperatief. Pessimisten deugen niet. We sporen elkaar aan tot het onhaalbare, verwachten van onze kinderen carrièretechnisch het onmogelijke, en peuteren aan leven&dood vanuit een pompend maar misplaatst het-kan-altijd-beter-postulaat.

Ik wandel met B. door de Warmoesstraat en begin te begrijpen wat er schuurt. Als hij vraagt hoe het met mij gaat, leg ik het ene moment uit dat ik dankzij pillen naar tevredenheid functioneer, dat de chronische vermoeidheid mijn leven vertraagt maar dat ik besloten heb daarvan te genieten – nooit gedacht dat ik mij zou bekeren tot slow life. Bij de volgende langs scherende fietser, zo’n wraakengel op een mountainbike, vertel ik erbij dat het nog twintig jaar goed kan gaan, maar ook binnen vijf jaar hopeloos mis.

“Dat zou ik ook wel willen”, krijg ik vaak terug op het eerste deel van mijn medische status. Op het tweede deel, een beperkende bijzin die klinkt als het geen-garantie-voor-de-toekomst van een Sterspot voor Aziatische beleggingen, valt het meestal ongemakkelijk stil. Het klinkt dapper, wil ik tegen B. zeggen, maar dat ben ik niet. Ik voldoe aan de norm van het optimisme, maar dat wil ik niet. En ook daar schrijf ik weer over, goedschiks of kwaadschiks, een strohalm als pen.

Reacties zijn gesloten.