Een man in Silezië

In het onvolprezen Nieuw Wereldtijdschrift, destijds onder redactie van Herman de Coninck, heb ik al wat langer geleden poëzie gepubliceerd. In een laag tempo ben ik altijd blijven schrijven, en even voortvarend nieuwe gedichten terzijde blijven leggen. Omdat het niet weg mag raken en omdat ze er nu eenmaal zijn, breng ik de gedichten hier samen die mogen blijven.

1

Uit oude jaren stond je op, je kwam
op verhaal als op lang vergeten woorden.

In de kamer klonk schaamte, jij telde
je aarzelingen, ik hoorde je uit.

Het moest ergens begonnen zijn,
dit niet aflatend misverstand.

2

Alsof je samenvatte en vergat: hier
was het, kamp bij een stad die nu niet
meer bestaat. Zoals namen verdwijnen.

Jij had je kleine daden daar, je was
een man in Silezië, later mijn vader.

3

Van een pasfoto zou ik later de schrik
in je ogen herkennen. Verwilderd lag je

bijna witte haar rond je gezicht. Ik zag
je terug in Silezië – daar wilde je weg.

Breekbaar kwam je overeind, wat kon ik
doen? Ik gaf je hoed toen jij dat vroeg.

4

Tegen halfacht liep ons spreekuur af,
ik liet je achter in de rolstoel waarmee

we door verwarde gangen dwaalden. Daar
raakte je steeds verder van mij weg.

met elk woord, elk machteloos gebaar.
Wat bleef is het verhaal waaruit

met jou de samenhang verdween.

5

Onhandig zocht ik wat niet mee mocht
bij elkaar: je bril, een boek dat jij

had uitgelezen. Besluiteloos heb ik
daarna een vader aangekeken. Ik had

zijn haar nog willen kammen, een laken
rond het lichaam geschikt, de schrik

uit zijn ogen gestreken.

[Deze gedichten verschenen in het Nieuw Wereldtijdschrift, 1987/2]