Vingerwijzing

Noem het een vingerwijzing. Sinds een jaar, vermoed ik, schrijf ik op een toetsenbord met de middelvinger van mijn linkerhand. Daar moet ik ooit mee begonnen zijn. Ik behoor tot de ongelukkige generatie journalisten die zich zelf op een ouderwetse typmachine, zo’n klein koffermodel, heeft leren tikken. Met twee wijsvingers, waarna op goede dagen soms een andere vinger mee mocht doen. Ergens is de linker wijsvinger afgehaakt.

Het is een idiote gewaarwording dat ik niet meer schrijf zoals ik altijd gedaan heb, of tenminste dacht dat ik deed, want helemaal zeker van die linker wijsvinger ben ik niet; voor hetzelfde geld is hij al langer een dissident. Hij wijst nu permanent omhoog tijdens het schrijven, een beetje arrogant, zoals oude adel een pink in de lucht houdt. Het is inmiddels zo vanzelfsprekend en ingesleten dat ik me niet kan voorstellen dat het ooit anders is geweest.

Een vingerwijzing, maar waarvan? Vermoedelijk van het begin van het begin van een volgende fase. De eerste symptomen van parkinson doken ook op als schrijfkramp, iets wat op rsi leek. Daar kwam een trillen bij, dat ik een jaar geleden onverhoeds een tremor noemde. Daarmee struikelde ik zowat over mijn eigen diagnose. Zelfs een blinde kon zien wat ik had.

Het is progressief en – vooralsnog – ongeneeslijk. Je gaat er niet dood aan, maar het loopt lullig af. Hoe snel of langzaam dat zal gaan, is niet te zeggen, vertelde mijn neuroloog me. Elk geval is anders. Later ben ik me gaan realiseren dat er natuurlijk wel gemiddelden zijn, zoals er ook een gemiddeld brein is – waarmee het evenzeer behelpen is als je erin gaat wroeten, maar het is beter dan niets.

Statistisch gezien begint parkinson tussen je vijftigste en je zestigste, maar ik heb een man ontmoet die het op zijn 37ste kreeg. Het begint met eenzijdige verschijnselen, die goed te bestrijden zijn met medicijnen. Tot zover ben ik keurig gemiddeld. Daarna wordt het minder.

Hoeveel tijd heb ik nog? Google weet het. Gemiddeld genomen: een jaar of zeven, acht, voordat ik niet meer normaal kan functioneren, en dan nog een jaar of twee voordat de rolstioel of het bed in een verpleeghuis wacht. De gemiddelde prognose is, zoals altijd bij statistieken, tegelijkertijd onthutsend precies, tot op de maand berekend, en hoopgevend onnauwkeurig. Het is maar een schaal, het zijn maar getallen, en progressie valt te remmen.

Ik begrijp de neurologen wel die hun patienten in het beginstadium afraden zich al te fanatiek vast te bijten in ziektebeelden, progressie-statistieken en wetenschappelijk onderzoek naar oorzaak&genezing. Het is ontmoedigend en leidt af van wat je – met of zonder parkinson – zou moeten doen: leven bij de dag, in beweging blijven, niet gaan zitten somberen.

Ik somber niet, integendeel. Een jaar lang heb ik mij niet of nauwelijks verdiept in parkinson, in de pillen die ik slik, in de gevolgen voor mijn dagelijks bestaan. Dat leek me even zinloos als wachten op noodweer. Nu ik er vaker en vaker over schrijf, en dus over nadenk, verandert dat. Ik wil weten wat me overkomt, goedschiks of kwaadschiks.