Fictie en overgave

Zou hij vinden dat wat mij overkomt de straffe Gods is? Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat hij weet hoe het met mij gaat, ook al hebben we elkaar in geen vijf of zes jaar gesproken, laat staan gezien. Ik ben geen publieke persoonlijkheid, maar dankzij social media leef ik mijn leven deels nogal zichtbaar, niet minder dan die andere 900 miljoen mensen met een Facebook-account. En ik vermoed dat E. mij soms ziet, of leest.

Ik mis hem elke dag. En ik vraag mij af wat het is dat ik van hem mis. De man die hij geworden is in de commune, ken ik niet, begrijp ik niet, versta ik niet. De man die hij was tot pakweg zijn veertigste, herinner ik mij steeds minder; hij vervaagt met al mijn andere herinneringen, glijdt weg, even onrustbarend snel en even onherroepelijk. Soms denk ik – hoe vreemd ook – dat ik zijn stem hoor in de stem van mijn zoon, in een grapje, een kwinkslag.

Nu ik een roman schrijf, haal ik E. terug. Dat boek gaat over feit en fictie, over de verleiding van de luchtspiegeling, over de onweerstaanbare schoonheid van de leugen. Of nee, ik haal hem niet terug maar reconstrueer de man die ik zelf was toen ik ophield hem te begrijpen. In de hoop dat ik het over kan doen, als het ware, en hem dan niet kwijtraak. Wat is mis van hem, ben ik goeddeels zelf. Wat ik kwijtgeraakt ben, heb ik nooit gehad.

Doe ik hem geweld aan met dat boek?

Hooguit omdat ik probeer hem te kennen, opnieuw of pas nu; en ik sluit niet uit dat hij niet meer door mij gekend wil worden. Wat een beetje raar is als je elkaar meer dan dertig jaar hebt meegemaakt, dichtbij genoeg om een middelbareschooljeugd te delen, een coming of age vakantie op een eiland en een jaar lang het warme bed van een meisje dat zo praktisch in het leven stond dat ze ons beide liever voor driekwart beminde, dan alles te verlangen van niets.

Zo brak als mijn geheugen is, een wad met af en toe een zandplaat, zo helder, gedetailleerd en compleet waren E.’s herinneringen. Hij vergat niets. Soms denk ik dat wij ook daarom van elkaar vervreemd zijn geraakt. Wat mij door de handen glipte, wat ik had moeten onthouden en koesteren, maar vergat, zeulde hij mee. En als je zo verschillend met het verleden omspringt, deel je op den duur geen verleden meer.

In dat boek van mij probeer ik te begrijpen hoe een man verstrikt raakt in fictie – een levenslange fascinatie. Hoe pakweg een journalist verhalen bij elkaar fantaseert – of leent, of vervalst, of construeert uit brokstukken werkelijkheid. Hoe een schilder aan lager wal op een dag besluit bij het ontbijt een tekening van Chagalle te maken. Hoe een programmeur een “denkend brein” bouwt dat echter is dan echt. Hoe een man zijn hele leven overhoop haalt en in God gaat geloven.

Jaren geleden is E. toegetreden tot een kleine geloofsgemeenschap. Als ik lees hoe hij leeft, of probeert te leven, herken ik humanistische beginselen, flarden verstandig boeddhisme en scheuten jarenzestig-idealisme. Doe goed. Leef met liefde. Vergeef. Deel. Daar is niets mis mee, integendeel. Maar wat ik niet begrijp en nooit begrepen heb is de totale overgave die daarbij hoort – en dan maakt het me niet uit aan wie of wat je je overgeeft. Of je dat God noemt, of een leer, of een idee.