Pirouette op de A7

Auto-ongeluk. Stond gisterochtend om even voor half negen op de A7, boven de afslag Leek, naast mijn auto, formeel een wrak, die auto dan. Heelhuids, beetje bibberig, maar rustiger dan ik vooraf zou hebben voorspeld. Was met 100 kilometer per uur de controle over mijn stuur kwijtgeraakt in wat aquaplaning wordt genoemd, met mijn linker voorkant tegen de betonnen middenvangrail gevlogen, teruggekaatst en roldgetold en achteruit over twee rijbanen naar de rechter vangrail gestuiterd.

Wat me het scherpst voor de geest staat: dat twee auto’s mij moeten zijn gepasseerd toen ik me met twee handen aan het stuur schrap zette om de eerste klap op te vangen, en ik daarna, met de kont van mijn auto naar achteren, recht in de koplampen van een donkerblauwe Audi keek, als het inderdaad een Audi was. De bestuurder ging vol in de remmen, waarvoor ik hem nog wel even dankbaar zal zijn.

Ik was vroeg op weg naar Amsterdam. Na de afslag op het Julianaplein begon het te hozen. Iedereen minderde vaart omdat het zicht beperkt was, ik ook. En vlak daarna was het weer over. Ik zag hoe de lucht bij Drachten opklaarde, en ging iets harder rijden. Honderd denk ik. Dat ik het viaduct bij Leek opreed, een minimale glooiing, had ik niet door.

Op dat viaduct voelde ik hoe mijn wielen in een spoor terecht kwamen. Alsof je banden even geen grip hebben. Gebeurt wel vaker. Ik denk dat ik het gas losliet, maar in diezelfde halve seconde voelde ik dat mijn auto ging glijden, schuin naar links, naar de betonnen vangrail. En wist ik dat het mis ging.

Wat je dan denkt? Niet zo veel. De klap waarmee de auto met de linker voorkant tegen de vangrail dreunde, was heftig, maar minder hard dan je zou denken. De meeste snelheid was er al uit, en ik botste niet frontaal. Maar de auto ging om zijn as en stuiterde terug de twee rijstroken op; of ik nog een volledige pirouette maakte, weet ik niet meer.

Nog twee seconden – twee seconden? – later stond ik stil, strak tegen de rechter vangrail. Uit de airbags steeg een cremekleurige rook op, waardoor ik even dacht dat er iets in de brand stond. Auto uit, maar dan over de andere stoel heen klauteren dus. Meteen maar rugzakje met laptop en telefoon meenemen; gek dat je daar aan denkt. Oranje hesje uit de kofferbak aan.

Die Audi, of was het een BMW, was gestopt, reed voorzichtig wat terug over de vluchstrook, en liet me instappen. De berijder vertelde me dat ie vol op de rem had gestaan, en 112 al had gebeld, en vroeg of ik in orde was. En ik dacht wat ik buiten al dacht: er is niets met mij aan de hand, ik ben nog heel, geen nekpijn, niets van die airbags gemerkt, en goddank heb ik geen andere auto’s geraakt.

Daarna gaat alles nog sneller. Voordat je er erg in hebt staat de politie het verkeer te regelen (“Bent u helemaal heel?” – “Ja, ik geloof het wel”). Komt rijkswaterstaat langs en binnen twintig minuten een bergingsbedrijf, dat je auto – vijf jaar oud, linker voorkant aan gort, airbags deden het, total loss dus – inpakt, optakelt en afvoert. En ondertussen heb je je gezin gebeld. “Auto-ongeluk, maar ik ben nog heel.”

Als ik dit ook nog overleef, schreef ik ‘s middags een vriend, moet ik wel honderd worden.

Reacties zijn gesloten.