Mijn hersenen zijn mijn hobby

17 augustus 2012 Leven 0

Ik verhaspel woorden. Al in de eerste notitie die ik maakte over de ziekte van parkinson, schreef ik dat ik was gaan ‘sturikelen’ over mijn woorden; wat je noemt een verhelderende verschrijving. Ik schrijf nu soms ‘ter been beent’ als ik ‘ter been bent’ bedoel, of lees ‘vlees’ waar ‘lees’ stond. Freud zou er wel raad mee weten, maar die had weer geen benul van de elektrostimulatie van zwarte kernen, als hij al wist dat die substantia nigra bestond.

Mijn hersenen zijn mijn hobby. Zoals een ander zich verliest in modeltreintjes, obscure Japanse literatuur of astrofysica, liefhebber ik wat met neurotransmitters rond de basale ganglia, het volstrekt onbegrijpelijke gedoe kortom in je hersenpan. Ik worstel me door populairwetenschappelijke literatuur, lees stukken in The Lancet die ik half begrijp, en stel vragen aan artsen die toegeven dat ze wel veel, maar lang niet alles weten.

Hersenen zijn fascinerend onbegrepen. We weten er, schat ik, tenminste evenveel niet van als wel. En bij het meeste van wat we – de artsen bedoel ik – wel weten, gissen we nog naar hoe het precies zit. Omdat we niet eens weten wat we niet weten, weten we per saldo misschien wel nagenoeg niets. Waarmee ik de uiterst nuttig vermoedens niet tekort wil doen. Die redden levens. In het beste geval weten we hoe het niet werkt als het stuk is.

Om meer dan één reden doet de hersenwetenschap mij soms denken aan astronomie, of astrofysica. Er zijn wetenschappers die denken dat we nu een paar procent van het heelal in kaart hebben gebracht. Dat verwondert mij. Bij mijn beste weten weten we niet hoe groot het heelal is, afgezien van de filosofische en weinig praktische notie dat het ‘oneindig’ is. Wat zou een paar procent van ‘oneindig’ zijn.

Met hersenen is het net zo, maar omgekeerd. Met alle respect voor het higgs-deeltje, maar van het allerkleinste weten we precies evenveel als van het allergrootste, namelijk net iets meer dan niets. Daar tussen in speelt zich ons leven af, op het minuscule stukje bandbreedte waarop wij grip hebben, in het flinterdunne plakje tijd dat ons gegeven is tussen het vroegste begin en het laatste eind, tussen oerknal en armageddon, tussen niets en niets.

Dit zijn kalmerende gedachten als ik weer eens een woord verknoei. En met een glimlach de verborgen betekenis zie opduiken. Mijn hersenen doen wat ze niet laten kunnen en ik hoop dat iemand ze nog eens helemaal doorgrondt voordat die zwarte kernen in mijn schedelpan er helemaal de brui aan geven.