Sluipangst

We have nothing to fear but fear itself.” Dat zei Franklin D. Roosevelt op 4 maart 1933. De Amerikaanse president bedoelde dat “angst voor de angst zelf” een redeloze angst is, weinig nuttig en een slechte raadgever in tijden van economische depressie. Angst voor angst werkt verlammend. Het verhevigt de depressie omdat bedrijven investeringen uitstellen en consumenten niet consumeren, in de jaren dertig niet anders dan nu.

Angst voor de angst is iets anders dan de angst zelf. Bang zijn mag en is ergens goed voor. Het is een instinct dat ons helpt overleven. Als we weten waarvoor we bang zijn – een man die je in een donkere steeg bedreigt met een mes, dalende huizenprijzen, aftakeling – vluchten we. We maken dat we die steeg uitkomen, beginnen eindelijk af te lossen bij de bank, of gaan naar de sportschool om te redden wat er te redden valt.

Overleven vereist moed. Moed is de andere kant van angst. In veel quotes die je in naslagwerken tegenkomt over angst, wordt in één adem een uitspraak gedaan over moed. Wie dapper is, loopt niet weg maar gaat zijn angst tegemoet. Sterker nog: wie niet bang is, kan ook niet moedig zijn. Daar zit natuurlijk een moreel oordeel onder: het is beter moedig te zijn dan bang. Moed moet. Angst is voor watjes. Moed helpt ons verder. Van angst staan we stil.

Angst voor de angst
Ik ben niet heel bang voor wat mij te wachten staat. Ze zeggen dat mijn leven langzaamaan wat onhandig wordt. En dat het uiteindelijk, over een jaar of wat, nogal onaangenaam kan zijn. Eerder dan de bedoeling was, bladder ik af. Als het tegenzit, laat ik me straks voortduwen. Als het meezit, verlies ik mijn verstand pas als ik het zelf niet meer zo in de gaten heb. Dat overkomt de meesten van ons, en mij misschien wat eerder. Zoals ze in mijn dorp zeggen: “‘t kon minder”.

Angst hoort bij parkinson. Uit een onderzoek bleek in 2009 dat 43 procent van de parkinsonpatiënten een angststoornis heeft. Die wordt niet veroorzaakt door het tekort aan dopamine, dat kenmerkend is voor de ziekte en de motorische malheur veroorzaakt, van stijfheid en trillen tot overbeweeglijkheid. Maar de angsten kunnen wel een bijwerking van de medicijnen zijn, lees ik. Mijn levodopa-pillen kunnen worden omgezet in noradrenaline, dat angst kan veroorzaken.

Dat zit mij niet lekker. Veel van waar ik bang voor zou kunnen zijn, valt goed te relativeren. Is het niet omdat er toch niets te verhelpen valt aan het progressieve karakter van mijn ziekte, en angst dus nergens toe leidt, dan wel omdat het trage verloop ook kansen biedt. De pillen worden beter, nieuwe behandelingsvormen als deep brain stimulation worden slimmer en effectiever, en god weet verdient een neuroloog nog eens een Nobelprijs omdat hij ontdekt hoe parkinson wel te genezen valt.

Maar wat me dwars zit, is de angst zelf. Ik knijp ‘m voor de sluipangst die opkomt als misselijkheid, of als een vlaag van verliefdheid, even onverwacht als een droom of een geur die je je herinnert, massief, intens, echter dan echt. Ik vrees die angst omdat hij zich niet laat controleren, laat staan dat je hem kunt relativeren. Het is de angst van de nachtmerrie: wat je ook probeert in je halfslaap of droom, het gaat niet weg. Het is alsof je in een slip raakt met je auto en je alleen nog schrap kunt zetten.