Struikelen over een rode zuil

Zoals ik mij soms verschrijf, struikel ik ook in een deuropening over de linkervoet van een stagiaire die uit de hal komt. Mooi meisje, blond en vermoedelijk blauwogig, maar daar kwam het niet van. Ze hield de deur voor me open, stond wat opzij, en niettemin ging ik op haar tenen staan. “Sorry”, zei ze. Dat was even aardig als overbodig.

Het is een nieuw ongemak, dat wil zeggen: ik had ervan gehoord, maar wist nog niet dat ik er last van had. Totdat ik C., een man die ik ontmoette omdat hij een elektrosimulator in het diepst van zijn hersenen heeft laten implanteren, vertelde over de brandweerrode betonnen zuil op de redactiezaal waar ik strijk en zet tegenaan loop.

“Doe ik ook”, zei C. “Maar met mijn rechterschouder.”

Hij kon er om lachen. “En jij dus met links?”

Ja, dacht ik, altijd met links. Als ik de zaal oploop en bij de sportredactie om die pilaar heen moet naar het bureau waar ik sinds een jaar mijn verhalen voor de krant schrijf. Die zuil staat er al twintig jaar. Het pad ernaast is meters breed en zelden druk. Maar sinds een paar maanden staat hij me in de weg, groot, vierkant en rood.

Het hoort erbij. Net als de wijsvinger van mijn linkerhand die de godganse dag wat verkrampt omhoog wijst (“Nog een zegen dat het niet je middelvinger is”, zei mijn lief). Maar het gaat zo traag, zo sluipend, dat je nauwelijks in de gaten hebt dat met je motoriek ook je evenwicht wat uit het lood raakt. Ik was al negen maanden ziek toen ik het door had, juni vorig jaar. Ik was de laatste die het wist.

Anderen zien altijd eerder hoe je ouder wordt. Hoe je afbladdert, hoe de huid van je handen rimpelt, de kraaienpootjes bij je ogen, een tic die je vroeger niet had, hoe je grumpy wordt of juist milder. Het moet een onwillekeurige reflex zijn: we blijven denken dat we niet veranderen, totdat we struikelen over de werkelijkheid.