In het klooster van St. Erme

In de kleine hal van het klooster in St. Erme staan laarzen. Gevoerde laarzen, regenlaarzen, lieslaarzen. Ze zijn daar vanzelf komen aanlopen, nadat Jan Ritsema op een dag zijn eigen paar laarzen in de hal had neergezet. Zoals er ook schoenen staan, en er boeken op het kloosterkastje liggen. Niemand heeft er om gevraagd, niemand heeft er op aangedrongen. Laarzen.

De kleine hal geeft vanaf een binnenplaats met bijgebouwen toegang tot de rechtervleugel van het voormalige, goeddeels anderhalve eeuw geleden gebouwde nonnenklooster. De andere vleugel herbergt een kapel uit de zestiende eeuw. Daartussen staat aan de Rue Haute het kolossale hoofdgebouw, vier verdiepingen met een bordestrap die uitkijkt op het dorp en het dal.

Ik ben er een week, deze week. Om te schrijven aan een roman die nooit af komt. Op een kamer op de eerste verdieping staan een bed en onder het smalle, hoge raam een stoel en tafeltje. Er is een wat gammele kast. Op de planken vloer ligt niets. Ik lees er bij het licht van een peertje bovenop een chiantifles en kijk uit het raam naar de poort van het klooster.

Zodra de bewolking in dit deel van Noord-Frankrijk even optrekt, wandel ik de court in, de tuin achter het hoofdgebouw, tussen de kapel en de andere vleugel. Dan sluit ik de deur achter me om te voorkomen dat Jans pauwen naar binnen gaan en schijten waar ze niet mogen schijten. Ik neem koffie mee uit de keuken, waar ik soms iemand groet, maar vooral onzichtbaar probeer te zijn.

Al een leven lang ben ik graag alleen, af en toe. Je kijkt beter als je alleen bent, luistert beter, ziet meer – ik herinner me dat Tommy Wieringa zo ongeveer over zijn reizen schreef, en heb altijd geweten dat je alerter bent zonder gezelschap, of ik nou een reisverhaal maakte in Mexico, Rhodos of op de Kanaaleilanden. Er is geen uitvlucht, geen excuus om niet te schrijven. En te kijken.

Je merkt hoe ontstellend stil het hier is, hoe plotseling die stilte vanuit de kapel wordt doorbroken door iets wat op religieuze zang lijkt, of stemoefeningen, of beide. Je vraagt je af waarom de klokken van de kerk in dit dorp en die van naburige dorpen op hele uren niet precies tegelijk maar na elkaar luiden, en welke afspraken daarover zijn gemaakt; wie eerst, wie dan.

Of ik een idee had voor dat boek, vroeg Jan. Ik glimlachte. Ja, een idee heb ik wel, en hoofdpersonen en een plot waarin nota bene – ik weet het al van ver voordat ik over dit klooster hoorde, en uit een oude Vrij Nederland begreep dat hier enkele jaren na de sluiting van de congregatie een eigenaardige rechts-religieuze sekte heeft gebivakkeerd – een plot dus waarin, alsof de duvel ermee speelt, ook een religieuze sekte voor moet komen.

Dat boek is dus jouw project, zei Jan, die een jaar of zes geleden dit klooster kocht, in vervallen staat, en nu schilders, schrijvers, muzikanten en acteurs tegen een schamele vergoeding de gelegenheid biedt in rust en afzondering te werken aan hun projecten. Het klooster is zijn huis, dat hij met al zijn andere aardse bezittingen open heeft gesteld voor wie er maar gebruik van wil maken – met slechts een paar spelregels die erop neer komen dat je deelt, dingen mogelijk maakt en geen sporen nalaat.

Sinds een jaar lijkt het wel alsof ik telkens mensen ontmoet – Willem, George, nu Jan – die hun leven een vreemde, radicale draai hebben gegeven. Die oppakken wat er nu eenmaal op hun weg komt. Omdat het er lag. Eigenwijs, tegendraads, overtuigd. Die keuzes zijn telkens veel minder esoterisch en veel praktischer dan ik er over kan schrijven, want de klei waaruit ik getrokken ben is nu eenmaal Hollandse klei, dat wil zeggen: klein, gronderig, nat.

Nog steeds ben ik graag alleen, soms. Om na te denken over wat me te doen staat. Omdat ik dan pielend en peurend een antwoord formuleer op de vraag waarom ik steeds weer vertrek, terwijl ik dat van jaar tot jaar lastiger vind. Ik zoek de stilte en de afwezigheid van gesprekken op, de eenzaamheid zou je zeggen als dat woord niet veel te groot zou zijn, terwijl ik van kruin tot zolen net zo lief bij mijn lief zou zijn.

Dat boek is dus jouw project, zei Jan. En een half uur later, de klok van dit dorp telde tot drie, de zon kwam weer tevoorschijn, en vanachter de glas-in-lood-ramen in de kapel klonk de volle, trage, verbijsterend stille stem van een vrouw alsof de nonnen hier nooit vertrokken waren, dacht ik: nee, dat project ben ik zelf.