Te goed om te stoppen

Steeds meer lijkt mijn leven op de roman die ik schrijf, en van toeval is geen sprake. In dat boek trek ik mij terug sinds ik ziek ben, sinds anderhalf jaar dus, meer gefascineerd door hoe zoiets werkt, een roman, dan door het eventuele product – een beetje zoals je naar het binnenwerk van een opwindhorloge kijkt, naar dat gewoel van minuscule radertjes.

Onbegonnen werk, denk je, als het uit elkaar valt. Zo gaat het met die roman. Zo staat mijn dagelijks bestaan erbij. Het is niet wat je je ervan voorstelde toen je eraan begon, maar wat je in handen hebt – tachtig pagina’s manuscript met hier en daar een geslaagde passage – is te goed om er de brui aan te geven. En het eindeloos proberen en pielen doet plezier.

De laatste weken schrap ik meer dan ik schrijf. Er zijn dagen dat ik het manuscript zo nietsontziend uitbeen dat ik bij het vallen van de avond alleen de eerste zin over houd. Een geweldige openingszin, daar niet van, zes woorden die jaren geleden alles in gang hebben gezet, het verhaal, mijn schrijven. Maar zes woorden maken geen roman.

Schrappen

Aan dat boek, een verhaal over feit en fictie, waarheid en leugen, echt en vals, schrijf ik in golfjes. Op dagen dat ik even aan niets anders hoef te denken, waardoor het onafgebroken door mijn kop zingt. Tijdens die schrijfdagen – soms zijn het weken – groeit de plot, waaien beelden aan, en vallen mij zinnen in terwijl ik niet begrijp waar het allemaal vandaan komt.

De neiging om radicaal te schrappen in wat er al ligt zou je verwachten aan het begin van zo’n schrijfperiode. Je pakt de draad weer op en leest, om weer op gang te komen, met enige afstand wat je weken eerder hebt geschreven, in die vorige vlaag van verstandsverbijstering. Schrijvers kennen de ontluistering die daarbij hoort: wat goed scheen, blijkt apekool.

Bij mij volgt het Grote Uitbenen juist op een productieve periode. Ik schrap als ik – moe maar voldaan – weer even uitgeschreven ben. Eerst hier en daar een ongelukkig woord. Dan hele zinnen die plotseling door de mand vallen. Vervolgens scènes waarvan ik me niet meer kan voorstellen dat ze ooit potentie leken te hebben. En tenslotte hele hoofdstukken omdat ze het verhaal ophouden, te lang doorzeuren, of heel misschien wel ergens thuishoren maar in elk geval niet in dit boek.

Met grote tevredenheid lees ik dan opnieuw die eerste, geweldige zin. En stel vast dat de rest larmoyante flauwekul is, een vlot geschreven aaneenschakeling van waterige scènes, die in het beste geval het midden houden tussen de aanzet voor een thriller en een wankelmoedig populair-filosofisch essay, en in het slechtste geval aantonen dat een romanschrijver het in dat dorre midden beter niet moet zoeken.

Waarom dan

Waarom schrijf ik er dan aan?

Eerst en vooral omdat de techniek van het schrijven mij fascineert, als het binnenwerk van mijn vaders horloge, dat hele complex van ritme en stijl, van compositie en perspectief, van beelden en scènes. Zoals een ander op regenachtige dagen eindeloos sleutelt aan een klassieke Citroen DS – desnoods zonder de illusie er ooit in te rijden -, sleutel ik aan dat boek.

Telkens als ik vastloop realiseer ik mij dit: die roman lijkt natuurlijk nergens op, maar wat ik heb is te goed op ermee te stoppen. En zo valt dat schrijven dus samen met wie en wat ik ben. Dit is niet het leven dat je zou willen leven, het was vast allemaal heel anders bedoeld, maar wat je hebt is te goed om weg te gooien. Ook als ik van alles schrap, blijft het plezier van het sleutelen.

Reacties zijn gesloten.