Ooit ga ik vallen

Een brand met vijftien doden in een Amsterdams grachtenhotel is een ramp. Een overstroming met vijftienhonderd slachtoffers in China is een statistiek. Het verschil tussen die twee is door Joseph Stalin (“One death is a tragedy, one million a statistic”) geduid. Zoals Benjamin Disraeli zei dat er leugens, verdomde leugens en statistieken zijn. En neurologen die statistieken zo lang mogelijk stilhouden.

Stalin en Disraeli – Brits premier in de negentiende eeuw – bedoelden het niet zo kwaad – al aarzel ik over Stalin. Zoals mijn neuroloog het goed met mij voor had toen hij mij ervan wilde doordringen dat elke parkinsonpatiënt anders is. Over de progressie van mijn ziekte valt niet veel meer met zekerheid te zeggen dan dat je er niet aan doodgaat, dat het nog jaren tamelijk goed kan gaan, en daarna onherroepelijk lullig afloopt.

Maar ze zijn er, die statistieken. Ik kan het niet laten ze te lezen. Elke patiënt is anders, geen ziekteverloop is gelijk, maar na tweehonderd jaar ervaring met parkinson weten we dat de gemiddelde patiënt een jaar of acht na zijn diagnose waarschijnlijk is gestopt met werken, hulpbehoevend wordt, een kans van een op twee heeft dement te worden, en mogelijk niet meer thuis kan wonen.

Ik zwelg niet in die statistieken – al lucht het wel op als je zoiets soms tegen iemand zegt. Maar verdomde leugens zijn het ook niet en ik heb nu eenmaal houvast nodig. Ik moet weten hoe lang ik nog heb. Want het dak moet gerepareerd en de huizenmarkt trekt niet aan. Praktische zaken moet ik regelen: wanneer kan ik de trap niet meer op, omdat het risico van vallen – ooit lazer ik omlaag, zeggen de cijfers – te groot wordt.

Parkinson heeft mij, zoals een vriend het vandaag zei, een nieuwe set prioriteiten geschonken. Dat is het goede nieuws. Ik heb geen haast meer, geen loopbaan om te blind na te jagen. Ik leef bij de dag, doe alleen nog de dingen die echt belangrijk zijn, geniet met volle teugen. Allemaal waar, maar de volgorde van die prioriteiten wil ook wat.

Ik ben iets langer dan een jaar ziek. De wittebroodsweken waarin je euforisch bent omdat je eindelijk snapt wat er loos was en dankzij pillen weer redelijk normaal functioneert, die honeymoon is over. En over zeven jaar ben ik zestig. Dat leek twee jaar terug een hele leeftijd, nog bijna net zo onvoorstelbaar als toen ik dertig was, maar nu vraag ik me af hoe het dan zal zijn.

Ik wil weten wat ik nog moet doen voor ik zestig ben. Nog één boek. Nog één keer op reis (naar het Caribische eiland van Derek Walcotts Omeros om precies te zijn). Nog een paar zomeravonden in de tuin met mijn lief naar de vleermuizen kijken. Tijd in overvloed maken – die ik ze eerder niet gaf – voor mijn zoon en dochter. Mijzelf nog één keer verbazen met een verhaal in de krant. Maar wat doe ik eerst? Het is warempel alsof ik toch weer haast wil maken.