Bernlef

1 november 2012 Leven 3

Niemand denkt graag na over zijn eigen dementie. Niet op tijd tenminste, niet voor het zover is, en je brein je onherroepelijk in de steek laat. De deze week overleden Bernlef was een uitzondering. Hersenschimmen gaat natuurlijk niet over de geestelijke aftakeling van de schrijver zelf, maar ik kan mij niet voorstellen dat Bernlef niet ook dááraan heeft gedacht.

Een op de vijf Nederlanders eindigt zijn leven dement. Een op de drie vrouwen zelfs. Parkinsonpatiënten hebben een nog grotere kans op dementie: een op twee, na een jaar of wat. Ik kan er op gaan zitten wachten. Ik kan blijven hopen dat het wegblijft, zoals je hoopt dat een volgende bankencrisis aan je voorbij gaat. Of ik kan er over nadenken. Nu het nog kan.

Ik aarzel. Zoals ik kan dubben over de liefde – waar stort je je nou toch weer in? – of over het schrijven van een zin, een scène, een boek: is het al dat venijnige tobben waard? Ik kan het ook niet doen. Doorleven “in het nu”, zoals mijn wijzere boeddhisten-vrienden me leren. Maar als ik het van me afschud, zoals je een kwade droom uit je kussen klopt, komt het des te sterker terug.

Oudejaarsdag
Toen mijn vader overleed, op een oudejaarsdag in het Rotterdamse Zuiderziekenhuis, was hij nogal in de war. We waren net bij hem op bezoek geweest. Ik had hem in een rolstoel door de betegelde gangen gereden, waarbij hij zijn beige corduroy hoed op hield. Hij was alleen, het was kwart voor acht, toen hij de zuster vroeg of ze de tv wilde aanzetten omdat het nieuws begonnen was. En toen ging hij dood.

Ik ben geen dichter, of al heel lang niet meer. Maar over mijn vader heb ik poëzie geschreven – als iemand zich mij herinnert, straks, mag dat best om die paar gedichten zijn. Omdat ze na al die jaren nog steeds gaan over dat rare uit elkaar vallen van wat eerst nog heel was. Herinneringen, een verstandhouding, een leven, een verhaal. Hoe het losraakt, wegrolt en weer bij elkaar komt, maar anders, en opnieuw uiteenvalt: dat is mijn verhaal.

Met mijn herinneringen leef ik op gespannen voet. Met mijn wispelturige geheugen als met een ontrouwe minnares. Al meer dan dertig jaar grijp ik naast de meest voor de hand liggende dingen. Zojuist nog schoot me het woord courgette niet te binnen (“Schat, zo’n lang groen groenteding, geen komkommer”). De meisjesnaam van mijn moeder. Een automerk. De titel van mijn favoriete film (Manhattan). Godlof kent de bank de regel ‘wachtwoord vergeten’.

Waar ben ik?
Tegelijkertijd schrijf, denk en lees ik over herinneren; Bernlefs laatste verhalenbundel bijvoorbeeld (Help me herinneren). Hoe je, als je ouder wordt, de dingen vergeet die je juist koestert. Hoe er dingen onvindbaar wegraken, juist als je hebt opgeschreven wat je nog wel te binnen schoot: wat vastligt in tekst, of in vakantiefoto’s, lijkt al het andere te verdringen. En hoe je al schrijvend bang kunt zijn voor de laatste herinnering, voor het moment waarop achter die laatste uitgewerkte scène ineens niets meer ligt van wat je lief was.

Ik heb herinneringen aan herinneringen: de verhalen die ik schreef. Ik heb ze aangekleed met beelden, metaforen en handeling om ze tot leven te brengen – en op datzelfde moment doodde ik de herinneringen zelf. Soms stel ik het schrijven uit. Dan wil ik nog niet zonder die ontrouwe, sentimentele hersenspinsels verder. Zoals je het opruimen van je zolder of souterrain uitstelt omdat je niet weet wat je weggooit.

Juist omdat mijn geheugen zo weinig behulpzaam is, schrijf ik erover. Als bij een goed boek, wil ik weten hoe het afloopt. Wat is het eerste wat je vergeet, en wat komt dan? Wat gebeurt er als je je begint te vergissen in ochtend of avond, in toen en straks? Hoe is het als je niet meer weet wie er bij je zijn. En tenslotte denk ik na over de vraag wat – in filosofische zin – belangrijker is: te weten wie je bent, of waar.

Ik gok voorlopig op het laatste en vertrouw er maar op dat ik precies lang genoeg helder blijf om uit te kunnen leggen hoe het zit, aan de overkant.

Reacties zijn gesloten.