We donderen de piramide af

Als het erop aankomt, zal het mij worst wezen wie of wat ik ben. Of het kwart over zeven ‘s avonds is of midden op de dag. Of ik mij vergis in de dag van de week, of het jaar van de eeuw. Pijnlijker al is het besef dat ik straks misschien niet meer de vrouw aan mijn voeteneinde herken. Maar wat mij pas goed angst aanjaagt is dat ik tegen die tijd niet meer weet wáár ik ben, in welk huis, in welke stad.

Niet wie hij is maar waar hij is – schreef ik eerder – is de meest wezenlijke vraag die een mens zich uiteindelijk zal stellen. Ik kan dat uitleggen, al druist het in tegen de intuïtie. We zijn immers een leven lang bezig iemand te zijn, of te worden. We kunnen tachtig jaar knutselen aan onszelf, aan de man, de vrouw, de ouder, de schrijver die past op het beeld dat we hadden toen het begon.

Dat knutselen heet ‘zelfontplooiing’, en ik doe daar niet lullig over. Het drijft ook mij. De mens is gelukkig als hij kan worden wie hij was, in aanleg bedoel ik, in wezen. Als dat lukt, komt hij toe aan meer sophisticated vragen. Als je er een beetje uit bent wie je bent, of – want het zit wel eens tegen – had kunnen worden, wil je ook weten waarom je er bent.

Maar wáár?

Rotterdammer

Waarom is de plaats waar we zijn zo belangrijk? In de moderne en postmoderne geïndustrialiseerde samenleving zijn we toch al een eeuw of twee ontsnapt aan de benauwenis van dorp en stam. We zijn met vreemden gaan leven in steden, steeds anoniemer in inwisselbare flats. We kunnen inmiddels bijna zonder streek, landsdeel of natiestaat. Zijn we geen wereldburgers?

Soms vertel ik dat ik Rotterdammer ben. Al meer dan twintig jaar geleden verliet ik mijn geboortestad, maar zo nu en dan leg ik uit wie ik ben – waarom ik dat accent heb, of die bizarre liefde voor een matig succesvolle voetbalclub – door te vertellen waar ik vandaan kom. Tegelijkertijd weet ik dat Rotterdam juist niets zegt over wie ik ben.

Ik hecht zoveel betekenis aan de plaats waar we zijn, omdat Rotterdam niet bestaat. In mijn jeugd liep ik door het nog lang niet herstelde centrum van die stad, op zoek naar houvast, historie en herinneringen die er niet meer waren. Ik zocht het verhaal – en dat was er niet, evenmin trouwens als in Almere, waar ik na Rotterdam terecht kwam.

De plaats die ik ben

Het is een kwestie van schaarste: naar mate je er minder van hebt, wordt het waardevoller. Naar mate ik minder kon bouwen op het collectieve geheugen van die stad, naar mate ik mij minder thuis voelde en ook elders minder kon aarden, naar mate ik van de weeromstuit luchthartiger vertrok en vaker verhuisde, werd ‘de plaats die ik ben’ belangrijker.

De meeste mensen zullen dat niet herkennen. De meeste mensen komen niet uit Rotterdam. Dat maakt mijn vermoeden – niet wie we zijn, maar waar we zijn – nogal particulier. Maar gelukkig hebben we Abraham Maslow nog.

De meest wezenlijke vraag die een mens zich uiteindelijk zal stellen, is niet wie hij is, maar waar hij is. Dat ‘uiteindelijk’ bedoelde ik gênant letterlijk. Ik vroeg mij af welke vragen een mens zich stelt als hij dement wordt, en – zoals dat heet – gedesoriënteerd raakt in tijd, plaats en personen. Mij gaat het om de laatste vraag die een mens zichzelf zal stellen, niet de meest relevante.

Met zijn piramide liet de Amerikaanse klinisch psycholoog Maslow in 1943 zien in welke volgorde de mens zijn behoefte bevredigt. Eerst willen we eten, drinken en slapen. Dan zoeken we veiligheid. Vervolgens vriendschap en liefde, Daarna waardering. En tenslotte zelfverwerkelijking: de kroon op wie we zijn, zal ik maar zeggen.

Hoewel er veel op Maslow af te dingen is, rijmt zijn piramide wel met de moderne notie dat ‘wie we zijn’ de meest fundamentele vraag is (waarbij ik het waarom van alles nu even opzij schuif als Spielerei). Maar Maslow laat ook zien wat er gebeurt als het leven uit elkaar valt, als we afbladderen en ons brein ons in de steek laat.

Dan stuiteren we de piramide af.

Wie we zijn en wat ze van ons vinden, doet er tegen het slot minder toe dan wie er aan ons bed staan. En zolang we nog te eten krijgen, is Maslows tweede trede dan de eerste behoefte. Het zou mij niet verbazen als ons gevoel van veiligheid en geborgenheid vooral bepaald worden door de fysieke omgeving, door de plaats waar we zijn.