Drostedroom

Ik droom dat ik wakker word uit een nachtmerrie. Die nachtmerrie was akelig, want ik was ziek en zou niet beter worden. Ik viel langzaam uit elkaar, stommelde de trap af, en wist dat ik mijn verstand ging verliezen. En toen schrok ik wakker uit die nachtmerrie – niets aan de hand. Waarna ik in een ander heden ontwaak uit de droom waarmee al het gedonder begon.

Die drostedroom heb ik vaker. Een droom in een droom. Op de rand van slapen en niet-slapen haalt je onderbewuste de vreemdste fratsen met je uit. Bijna altijd slaap ik vast en makkelijk, bijna nooit kost het me moeite in slaap te vallen en slechts bij hoge uitzondering word ik voor zeven uur ‘s ochtends wakker, of vijf minuten later.

Ik droom zoals iedereen, maar van die dromen onthoud ik weinig. Zo nu en dan zijn er gezichten die ik meestal niet kan thuisbrengen. En heel soms word ik wakker met een stemming, een humeur, een herinnering aan iets wat ik mij niet kan herinneren, anders dan een sfeer. Zoals je van een film de titel, het verhaal en de hoofdrolspelers vergat, maar nog vaag weet dat hij goed was.

Trailer
Voor zover ik mij kan heugen heb ik, sinds ik ziek ben, één nachtmerrie gehad, over zilveren zwaluwen. Kennelijk gaat dat zo: het kondigt zich aan, als een trailer, waarna de echte première jaren op zich laat wachten. Dromen over een nachtmerrie is iets anders. Het is bewuster, paradoxaal genoeg, rationeler. Anders dan bij die zwaluwen, snap ik waar het vandaan komt.

In die drostedroom – zegt mijn andere ik, de hersenhobbyist – ontken ik tegen beter in wat me overkomt. Van meet af aan heb ik mij bij de dingen neergelegd; een probleem dat niet oplosbaar is, vertelde een collega eens, is geen probleem. Je kunt je tijd beter besteden, bedoelde hij.

Maar je tobbend brein laat zich niet zo makkelijk in de luren leggen. En dus werd ik wakker uit een droom over een nachtmerrie. Zonder beelden, zonder gezichten, zonder geluiden, laat staan geuren. Maar met de verpletterende sensatie dat het verdomme niet waar kan wezen.