Wie doet het licht aan op het feestje?

We hadden stevig gedronken, mijn vriend P. en ik. En ons gelijk slonk met elk volgend glas wijn – hij rood, ik wit – of andersom, god zal het zeggen. Maar telkens als we opnieuw over dat ene verwarrende onderwerp spraken, werd ik ineens weer heel even ontluisterend nuchter.

P. wilde mij moed inspreken.

Jij belandt ooit in een rolstoel, erkende hij, maar als je weet dat dat nog dertig jaar kan duren, moet je nu ophouden erover te tobben.
Ik wierp tegen dat ik ook over vijf jaar al aan de beurt kan zijn, en dat het statistisch gemiddelde in de buurt van acht jaar komt. Maar P. wilde het niet horen, of nee, hij vond dat ik het moest negeren.

Leef nu, zei P.

Volle teugen

Dat doe ik. Met volle teugen. Ik vertelde P. dat ik van meet af aan vrede heb met wat mij overkomt, dat ik niet de minste neiging tot somberen heb, laat staan chagrijnig word. Een probleem dat je niet kunt oplossen, is geen probleem, zei een oude leermeester eens, waarna hij even zo goed compleet naar de verdommenis ging.

Ik leef in het nu, maar soms, als iemand mij vraagt wat “de prognose” is, vraag ik me ook af hoe ik er over een jaar of wat voor sta. Soms omdat er praktische sores opdoemen – hypotheek, werk, drempels in huis -, vaker omdat ik zoals elk mens naar de toekomst wil kijken. Wat wil ik nog doen in de rest van mijn leven, wie wil ik nog worden, hoe maak ik het af?

Tot voor twee jaar stelde ik mij diezelfde vragen, voortdurend zelfs, met meer haast en ongedurigheid dan goed voor mij en mijn huisgenoten was, maar zonder deadline – een vakterm die nu een wat andere lading heeft gekregen. Niet de krant van morgen, of een bijlage over twee weken, maar iets onduidelijks over een jaar of wat.

Strijd

Ik ben niet pessimistisch, maar word opstandig van die vreemde maatschappelijke norm die optimisme zowat voorschrijft. Ik begrijp heel goed de ergernis van Aleid Truijens die in een Volkskrant-column van de week de keerzijde liet zien. Truijens relativeerde de actie “Sta op tegen kanker”. Goed dat we geld inzamelen, daar niet van, maar de onderliggende moraal deugt niet.

“Een kankerpatiënt voert geen strijd”, schrijft Truijens, “maar ondergaat een nare, zware behandeling. Als hij die overleeft is hij geen held, geen overwinnaar, maar een geluksvogel. [] Strijd – dat woord impliceert dat de eerlijke winnaar met de eer strijkt. [] Het woord zegt daarmee ook dat de verliezer zich niet hard genoeg heeft ingespannen. [] Kennelijk vinden we het zo vanzelfsprekend dat succes onze eigen verdienste is – ‘ doelen stellen’, ‘je toekomst visualiseren’ – dat we ons niet kunnen voorstellen dat zoiets heroïsch als het genezen van kanker een kwestie van pech of geluk is.”

Optimisme moet. Optimisme helpt. Je kunt jezelf, zeggen we dan, altijd nog een keer opnieuw uitvinden. Wie niet optimistisch is, desnoods tegen beter in, schiet tekort.

Het is net alsof er een taboe is ontstaan op pech, tegenslag, verlies. En wie dat allemaal, soms opgewekt, soms met verdriet, onder ogen ziet en zijn dagen telt, verbreekt de illusie. Alsof je op het hoogtepunt van het feestje het tl-licht aan doet.