Pistoolvinger

16 december 2012 Leven 0

De eerste keer dat ik M. weer ontmoette, was het warempel alsof ik mijzelf zag. Hoe hij in het Amsterdamse restaurant Dauphine aan het eind van de middag tussen de rijen tafels kwam aanlopen, zijn linkerarm onhandig stijf langs zijn lichaam, zijn romp misschien wat gebogen, zijn gezicht stram, alsof de mimiek stilgezet was op een moment van verbijstering. Toen we elkaar de hand schudden, zei hij dat het goed ging met hem.

We kenden elkaar al langer, van enige afstand, uit de journalistiek. M. had me gemaild. Hij had het ook; een jaar langer dan ik. Het leek hem goed eens bij te praten. Sindsdien doen we dat af en toe. Dan wisselen we ziektegeschiedenissen uit zoals vliegtuigspotters opmerkelijke landingen. We vertellen elkaar hoe we op pillen reageren. En we kijken naar elkaar als in een spiegel: zo gaat het dus, zo ziet het eruit.

Een tikje cru is dat. Net zo eigenaardig als het gemak waarmee parkinsonpatiënten bij een eerste kennismaking de datum van hun diagnose uitwisselen. Zo kolossaal als die datum is, de dag waarop alles anders werd, zo luchtig gaan we ermee om. Het is een attribuut dat je meedraagt. Zoiets als je geboorteplaats, het jaar van je afstuderen, je dispuut.

Onder elkaar wisselen parkinsonpatiënten die diagnosedatum even nonchalant uit als hun medicatie – meer of minder pillen, wel of geen slaapmiddelen, anti-depressiva of nog andere medicijnen. Ze nemen elkaars ziekteverloop door alsof het vakantieverhalen zijn. Dat trillen – heb ik ook, maar rechts, niet links. Reuk? Ik weet al niet meer wat het was. Kijk nou, zei een vriend, wijzend op de obstinate wijsvinger van mijn linkerhand, jij hebt een pistoolvinger.

Maat
Die openhartigheid heeft iets onwelvoeglijks. Alsof je met je favoriete fetish te koop loopt bij de slager, of al te gemakkelijk vertelt hoe ver je koophuis onder water staat. Maar het dient een doel. De datum (of het jaartal) van de diagnose is een maat waarmee je in een oogwenk afmeet hoe de ander er relatief gezien voor staat. Zo lang al ziek en nog zo fit. Zo kort geleden gediagnostiseerd en toch al afgekeurd.

Ik ken parkinsonpatiënten die de datum van hun diagnose vieren. Ook dat lijkt bizar. Toch is het begrijpelijk. De diagnose maakt een eind aan maanden of soms jaren van geklooi (is het rsi of een manke wervel, drink ik te veel koffie, heb ik een midlife crisis?). Met medicijnen voel je je ineens stukken beter. Jaar na jaar kijk je terug. Je viert dat je minder hard achteruit ging dan je vreesde; tenzij het tegenzit, en je alleen kunt vaststellen dat je dubbel pech hebt.

We spiegelen ons aan elkaar, denk ik, omdat we verder niet zo veel houvast hebben. Parkinson is ongeneeslijk en progressief, maar elk ziekteverloop is anders, in zijn symptomen en in tijd: het kan tien duren maar ook dertig jaar voordat het allemaal erg onaangenaam wordt. Er zijn statistieken met gemiddelden die net zo ontmoedigend zijn als de kansberekening bij de Staatsloterij – je trekt je er niets van aan en koopt tegen beter weten in een lot.