Bij het winnen van de Tegel

24 maart 2013 Geen categorie 0

“Er gaat niets boven een goed verhaal”, zei ik vijfentwintig jaar geleden in een dankwoordje, toen ik als redacteur van de Volkskrant – standplaats Rotterdam – het Gouden Pennetje in ontvangst nam. Een goed verhaal? Dat was, vond ik toen, een product van grondig onderzoek, verteld met alle literaire trucs die van pas komen. Het moet onthullen en verleiden, betrappen en meeslepen.

Dat vind ik nog steeds. Als we de journalistiek willen redden, en niet louter willen afwachten wat ontrouwe lezers, muitende adverteerders en onmachtige uitgevers met dat vak doen, zullen we betere verhalen moeten vertellen, en die beter vertellen.

Betere verhalen?

Dat zijn verhalen die het publiek nog niet kent, die niet ronddobberen in de eindeloze, oceaanbrede plasticsoep van internet. Het zijn verhalen die uniek zijn, nog door niemand opgeschreven, terwijl ze in staat zijn de wereld een beetje te veranderen. Ze hebben impact, omdat ze – als het even meezit – de macht ontluisteren.

En beter verteld?

Dat zijn verhalen die de lezer niet weg kan leggen. Die je bij de strot grijpen. Het zijn verhalen die authentiek zijn omdat er ‘ronde’ karakters in rondlopen en niet louter kwakende zegslieden. Personages, zeg ik de handboeken en Pulitzerprijswinnaars na, personages dus met een doel, en een conflict dat in de weg staat, waardoor de handeling op gang komt, en er een climax volgt, en ten slotte de katharsis.

Facebookrellen

Toen ik donderdag in Den Haag met vijf collega’s* van Dagblad van het Noorden en RTV Noord een Tegel in ontvangst nam – zeg maar de Oscar van journalistiek Nederland – moest ik daar weer aan denken. Dat er niets boven een goed verhaal gaat. Ook na de opkomst van commerciële televisie, gratis kranten en internet kun je met een goed verteld verhaal over een uit de hand gelopen feestje in Haren nog prijzen winnen.

Je moet wat mazzel hebben voor zo’n Tegel. Als die Facebookrellen zich niet in Haren hadden afgespeeld, zowat voor mijn voordeur, maar in Grouw, Hardenberg of Diemen, waren wij er als regionale krant en omroep niet zo bovenop gesprongen. Maar je moet vooral heel graag dat verhaal willen vertellen, verbijsterd als je bent door die ene vraag: hoe het toch in godsnaam kon gebeuren dat een half dorp wordt gesloopt door hordes toeterlamme relschoppers, terwijl burgemeester en politiechef doodgemoedereerd blijven volhouden dat ze ‘op alles’ waren voorbereid.

Toen het verhaal van Haren vijf weken na de rellen in de krant stond, acht pagina’s tabloid, heb ik op een kladje uitgerekend hoeveel er voor nodig was geweest. Een kleine duizend manuren, schatte ik. Pakweg tachtig bronnen. En onder veel meer een vergeefse zoektocht naar de georganiseerde hooligans die volgens burgemeester en korpschef de aanstichters waren van de rellen; wij konden ze niet vinden, evenmin als de commissie-Cohen, die bijna vijf maanden later het eindrapport over Haren schreef en het roerend met ons eens was, behalve op dat ene punt.

Wij hadden lichte aanwijzingen gevonden dat de rellen geregisseerd waren door hooligans. Enkele posts op Facebook. Een gekende Z-side-supporter die terecht stond voor zijn bijdrage aan de rellen. Onze eigen waarneming van kwart voor negen die avond: hoe het tenminste leek alsof iemand de lont aanstak.

Maar vooral hadden we de verklaring van de politie die zei dat een schimmige man met een telefoon de relschoppers “vanaf de Meerweg” had aangestuurd. Voor ons was dat een scherp en nogal beeldend detail, dat de verantwoording van burgemeester en politiechef achteraf een klein beetje aannemelijker maakte. Ze hadden overal rekening mee gehouden, zeiden ze, behalve met extreem geweld van professionele relschoppers.

Net als wij constateerde Cohen dat het eerste gelogen was (ze waren beroerd voorbereid). Over het tweede was Cohen stelliger dan wij. Wij konden de hooligans en het geregisseerde geweld niet vinden. Cohen stelt dat er geen hooliganisme van betekenis was.

Rob Wijnberg

Hoe nu verder?

Zolang als Dagblad van het Noorden het mogelijk maakt, en mijn hoofd het me toestaat, zal ik onderzoeksverhalen blijven schrijven, precies zoals ik mij voornam toen ik ziek werd. Ik heb het grote geluk dat de krant waarvoor ik nu tien jaar werk durft te investeren in onderzoek en het talent van collega’s die uitzonderlijk gedreven zijn.

Daarnaast moet er nog iets met de notie van een goed verhaal. Dat zinnetje, een citaat uit Oek de Jongs debuutbundel, heb ik een kwarteeuw gekoesterd. Ondertussen groeide de journalistiek naar haar top, de jaren negentig waarin het vak terecht aanzien had, de beroepsgroep voortreffelijk opgeleid raakte en nog beter betaald, en dagbladuitgevers slapend rijk werden.

Prompt daarna raakte het vak in een diepe crisis. Dalende oplages (vorig kwartaal werden voor het eerst minder dan drie miljoen kranten per dag verkocht, tegen ruim 4,5 miljoen in 2000). Afnemend vertrouwen (‘de media heeft het gedaan’). Massa-ontslagen. En amper perspectief.

Sinds 2002 vertel ik dat kranten op de lange duur verdwijnen. Ik doe dat niet graag, want kranten gaan me aan het hart. Maar het moet, omdat met die kranten niet ook de journalistiek mag wegkwijnen. Die journalistiek is namelijk nogal van belang voor de kwaliteit van de samenleving.

Om de journalistiek te behouden, beweer ik al jaren, moeten we drie dingen doen. Nieuwe generaties journalisten zullen moeten bedenken welk verdienmodel wel werkt – want laten we eerlijk zijn: de pre-Google-generatie waartoe ik ook behoor heeft ondertussen genoegzaam bewezen daar niet toe in staat te zijn (anders hadden we Google wel bedacht, of Facebook).

Rob Wijnberg zou best eens gelijk kunnen hebben. Maar omdat het nog wel even duurt voordat Wijnberg met zijn website een complete infrastructuur van enkele duizenden journalisten kan betalen, zal de overheid binnen enkele jaren moeten bijspringen. Het duurt niet lang meer voordat de Staat met subsidie stukken kwaliteitsjournalistiek overeind zal moeten houden, al is het maar als tijdelijk noodverband.

Niet in de laatste plaats zullen journalisten zichzelf ondertussen opnieuw moeten uitvinden. Ze zullen moeten snappen dat het ‘nieuws’ waarmee ze de afgelopen dertig jaar hun brood verdienden, een onwerkbaar containerbegrip is. “Uiteindelijk verkopen we nieuws” is een even domme, kortzichtige beroepsopvatting als die van de kok die niet verder komt dan dat-ie “een warme hap eten” op tafel zet.

We zullen moeten begrijpen dat lezers niet langer een leven lang loyaal zijn, en dat het aanbod van snel en feitelijk nieuws zo groot is dat geen mens er nog voor wil betalen. En we moeten gevoelig worden voor verhalen die “niemand heeft” en niemand kan vertellen zoals wij.

[* De Tegel voor onderzoeksjournalistiek 2012 won Dagblad van het Noorden samen met RTV Noord. De productie is gemaakt door Arnoud Bodde, Goos de Boer, Mick van Wely, Bas van Sluis, Jantina Russchen en Henk Blanken)