De index van herinneringen

Herinneringen duiken op als je er het minst op bedacht bent, als een bal die tussen twee geparkeerde auto’s door de straat op stuitert. Je houdt even in. Want je weet dat het jongetje niet ver weg kan zijn. En je vraagt je af wat er aan de hand is, waar het jongetje blijft, als die bal gewoon wegrolt en blijft liggen in de goot.

Van dat soort gemankeerde herinneringen heb ik er veel.

Altijd al zo geweest. Het is alsof de index van mijn geheugen nog functioneert, maar achter de verwijzingen niets ligt dan mist, een gat waar beelden horen te zijn, leegte waar ik een geur vermoed, ruis waar ik stemmen weet. Ik denk aan E., een vriend van vroeger, en ik kan nog geen vijf zinnen terughalen van een gesprek dat we voerden, geen oogopslag of glimlach.

Gisteren kreeg ik een mailtje van zijn ouders. Ze moeten hoogbejaard zijn – wat onaardiger klinkt dan ik wil. Ze hadden het interview in de Volkskrant gelezen waarin ik afgelopen zaterdag vertelde over parkinson, het winnen van de Tegel en de Groninger Persprijs, en hoe het een met het ander te maken heeft. Ik was ontroerd door hun bericht.

Die ontroering brengt een begin van herinneren op gang. Met E. sta ik op ‘het pleintje’, een basketbalveldje aan de rand de Rotterdamse wijk waar hij woonde, tegen de havenspoorlijn aan. Het is hoogzomer, warm en windstil. We zijn al jaren klasgenoten, maar pas in de laatste klassen van de middelbare school zijn we – vermoed ik, details ontbreken – beter bevriend geraakt.

Waarschijnlijk probeert E. mij de ‘lay up’ te leren, zowat de eenvoudigste manier om die onhandig grote en zware basketbal in dat veel te hoge netje te leggen – ‘schieten’, zegt E., maar ik ben een voetballer en ‘schieten’ doe je met je rechtervoet. Hij laat me dribbelen, toont hoe je de bal achter je rug langs kunt halen en droomt van de dunk.

Waarschijnlijk zijn de lessen van E. niet aan mij besteed. Ik heb geen enkel talent voor basketbal.

Volgens de mythe van mijn brakke geheugen heb ik zeven middagen in de week gevoetbald, meestal samen met Gert, een buurjongen, op een grasveld achter de lagere school in de buurt waar ik woonde. Drie of vier avonden in de week kreeg ik keeperstraining bij een amateurvereniging. E. komt niet voor in die film van modder, regen en kou en gelukzalige kramp.

Waarom eigenlijk niet?

Van alles wat ik terug zou willen halen uit die mist van herinneringen, flarden waarvoor ik nog wel een naam heb maar verder niets – ik krijg louter ‘error 404’ door, of ‘missing link’ – frustreren deze mij het meest. Door over E. te schrijven komt er soms iets terug, maar vaak weet ik niet meer wat daarvan constructie is en wat echt, wat feit en wat fictie.

Al jaren geleden is E. verdwenen. Wij hebben elkaar de vriendschap opgezegd. Alleen in mijn herinneringen probeer ik hem nog terug te halen, maar het is alsof hij opnieuw verdwijnt naar mate ik hardnekkiger probeer de beelden en gesprekken terug te halen. Ik schrijf om iets vast te leggen, maar bereik het tegenovergestelde.

Reacties zijn gesloten.