De treinkijker

30 april 2013 Geen categorie 0

Op een woensdagochtend in april staat de treinkijker op het perron, en niet bij de spoorwegovergang, zoals op andere dagen. Hij draagt een zomers overhemd met korte mouwen, wit, zachtgroen en lichtgeel geruit, een nette broek van een bruine zachtglimmende stof die hij hoog opgetrokken heeft, en zwarte sportschoenen met te lange veters.

De treinkijker houdt zijn hoofd iets voor zijn romp, kin omhoog, alsof hij langs de mensen op het perron tuurt naar waar de intercity uit Groningen blijft. Maar er is geen trein, er zijn geen mensen, op een wat ouder verliefd stel na dat bij de chipcard-automaat zoenend afscheid neemt. De treinkijker ziet hen niet. Hij ziet alleen treinen die er niet zijn.

Ik kom hem geregeld tegen. Een man van een jaar of dertig, veertig misschien, die zijn dagen doorbrengt bij de slagbomen voor het spoor, altijd aan dezelfde kant van de straat, aan dezelfde kant van het spoor. Maar nu hij in de lentezon op het perron heen en weer loopt, valt mij op dat hij om zijn rechterarm een verband draagt en dat zijn linkerhand hevig trilt.

Ik ken hem niet, althans niet anders dan de stille, wat zonderlinge man die naar treinen kijkt. Maar ik ken die tremor, de voorovergebogen houding, en kan het niet helpen te denken dat het drukverband een brandwond bedekt – hete thee die onhandig omgestoten is, zoiets. Ik vraag me af wat hij denkt, op welk niveau hij denkt, hoe zelfstandig hij is en hoe dat verder moet.

Al weken achter elkaar sta ik steeds vroeger op. Om vijf uur, half zes wordt het langzaam wat lichter en is het doodstil in huis, op het zingen van de vogels na of het korte geraas van soms een trein. Ik kijk naar de tuin achter het huis, het nieuwe blad aan de appelboom, het vochtige gras, de zon die opkomt bij de buren, en denk na over wat nog komen gaat.

Ik herinner me de treinkijker. Hoe hij heen en weer liep, van de bijna niet meer gebruikte wachtruimte naar het moderne wacht-afdakje – en terug. Ik weet nog hoe ik onhandig mijn notitieboekje opborg in de binnenzak van mijn colbert, en dat ik dit moest onthouden. Toen ik in de Sprinter naar Assen stapte, bleef hij achter op het perron. Het was gegaan zoals het moest gaan.