De krant gaat langer mee dan ik

14 mei 2013 Geen categorie 0

Nog voor het half zes is, word ik wakker. Van het eerste licht dat door de blinden naar binnen kiert. Van vogelgeluiden in mijn achtertuin. Van een mond zo droog als oud leer. Ik spoel mijn gehemelte met een slok cola light die naast mijn hoofdeinde staat, sla het dekbed terug en sta op. Onderaan de trap naar beneden liggen twee dagbladen. Nog voor het half acht is, sla ik die weer dicht.

Ik heb lang gedacht dat ik het langer zou uithouden dan de krant. Een jaar of vijftien geleden schreef ik voor het eerst dat jongeren geen betaalde dagbladen meer lazen zoals mijn generatie dat deed. Vijf jaar later kondigde ik de onontkoombare consequentie aan van de trage en gestage oplagedaling: de krant zou verdwijnen.

Begin veertig was ik en journalist bij de Volkskrant. Ik ging er vanuit dat ik tot aan een pensioen waarvan ik mij geen enkele voorstelling kon of wilde maken nog zeker twintig jaar zou werken. Kranten zouden het minder lang volhouden, leek me. De meeste althans, want er zouden ook nichekranten blijven verschijnen die heel duur, heel gespecialiseerd of totaal vernieuwend zouden zijn.

Inmiddels realiseer ik me dat de bordjes verhangen zijn. Dagbladen van oude snit gaan langer mee dan ik. En dat komt niet doordat die kranten een oplossing hebben gevonden voor hun trage, twee-of-drie-procent-per-jaar wegkwijnen. Op hier en daar een uitzondering na – die best eens bedrieglijk zou kunnen zijn, of tijdelijk – bladderen kranten nog even hard af. Alleen: ik ga harder.

Mijn mond is dus droog. Dat heet xerostomie. Tien tegen een is het een bijwerking van de requip modutab, die ik begin april ben gaan slikken omdat mijn vorige medicatie (sinemet levodopa) niet meer voldoende hielp. Vreemd genoeg had ik toen onder meer last van te veel speeksel in mijn mond; van het voortdurend wegslikken werd ik onzeker. Men zag mij soms aan voor een halvegare.

Vervelender dan dat leren gehemelte is de onbestemde pijn in nek, schouder en linkerarm – mijn parkinsonarm, zeg ik soms, als ik uitleg dat parkinson meestal aan één kant van het lichaam begint. Die pijn zit er sinds ik een weekendje griep had, en gaat niet weg. Ook niet nadat ik op advies van mijn huisarts (“Wat er mis is? Ik heb eerlijk gezegd geen idee”) een week lang de pijnstiller en ontstekingsremmer dyclophenac slikte.

De strip pillen is op, de pijn bleef. Niet permanent, maar in vlagen. Soms ‘s ochtends, zoals nu, vaker in de loop van de avond, en bijna telkens ‘s nachts, als de droge mond me wekt. Dus ga ik op advies van de parkinsonverpleegkundige vandaag langs bij de fysiotherapeut en mag het team van de afdeling neurologie dat volgende week toch al een halve dag de tijd neemt voor een uitgebreide diagnose zijn tanden in mijn nek, schouder en linkerarm zetten.

Het is even na acht uur en stil in huis en ademloos bekijk ik de bloesem van de appelboom. Bijna twee jaar terug nam ik mij voor om dan in godsnaam maar zo precies mogelijk verslag te doen van wat mij overkomt. Op gezette tijden hoort daar – vrees ik – een medisch bulletin bij.