Hiddes hond

Kwaad volk was het. Ze kwamen bij hem binnen in Paterswolde, met wel tien man tegelijk, in de huiskamer en op de overloop. En ze hadden het op Hidde voorzien. “En ze zijn echt hè”, zegt Hidde bijna onverstaanbaar, in een binnensmonds Gronings dat alleen zijn vrouw woord voor woord lijkt te begrijpen, hoe zacht Hidde ook vertelt dat hij ze toch echt zag rondlopen.

Hidde zal een jaar of vijfenzestig zijn. Een wat gekrompen man met een baard als bij mannen-die-baarden-dragen, grijs, woest en pluizig. Op zijn hoofd groeit haar zo dun dat het afwezig lijkt. Hidde is naar het ziekenhuis gekomen in een houthakkershemd en een spijkerbroek boven sandalen. Als een verpleger hem in een rolstoel naar de lunchkamer wil verrijden, sputtert hij tegen.

Een rolstoel?

Hidde lijkt zich te generen.

Het is hard gegaan, vertelt zijn vrouw, terwijl ze een boterham belegt. Al acht jaar heeft Hidde parkinson, maar pas de laatste drie weken ziet hij mensen in huis die er niet zijn. Hoe vaak zij ook bij Hidde op de bank komt zitten en tegen haar partner zegt dat ze vertrokken zijn, dat zij ze uitgelaten heeft, of weggestuurd, en dat hij niet bang hoeft te zijn… Hidde blijft ze zien.

Dat is wreed en ironisch, want Hidde ziet eigenlijk steeds minder.

Ook zijn ogen zijn hard achteruit gegaan, zegt Hiddes vrouw, alsof haar man niet naast haar zit.

Wat zeg je dan terug?

Je vraagt aan Hiddes vrouw of zij Gerrit Krol kent. Ze maakt een intelligente en verzorgde indruk, een vrouw die boeken leest. Toen Krol – ook een Groninger trouwens – zijn laatste columns schreef, alarmerend mooi over zijn parkinson en ouderdom, had hij hallucinaties.

Je herinnert je dat Gerrit Krol net als Hidde mensen zag die maar niet weggingen, maar je weet niet meer  of die mensen kwaad in de zin hadden.

Nee, zegt Hiddes partner, Krol kent ze niet.

Je pakt een volkoren boterham, worstelt met de tegenstribbelende plastic verpakking van de kaas, vouwt de snee dubbel, en drukt schaamteloos je tanden in een hap. Je kijkt naar Hidde, die de stroeve margarine probeert uit te smeren en dan het mes zet in zijn boterham met komijnekaas.

Jij eet, zeg je dan tegen niemand in het bijzonder, al lang niet meer met mes en vork, als het niet per se hoeft.

Het is alsof Hidde je niet hoort, niet ziet, of niet begrijpt.

Even legt zijn vrouw een hand op Hiddes rechterhand. Toe maar, lijkt ze zeggen. Doe maar wat die meneer naast je doet.

Hoe lang ik al ziek ben, vraagt ze dan. Waarna ze wat terloops vertelt dat Hiddes hond, een bastaardje van twaalf, het ook heeft. Parkinson.

Reacties zijn gesloten.