Dingen gaan stuk, net als mensen

Alles laat ik uit mijn handen vallen. Als dat bij wijze van spreken was – mijn dwaze haast, een verhaal waar geen eind aan wil komen – zou niemand er last van hebben. Ik ook al lang niet meer. Maar wat mij ontglipt, is vaak van glas. Een iPhone. Nog een iPhone. Twee witte chardonnay, en een derde. Een zorgvuldig beschermde iPad. En ten slotte een hele laptop.

Dingen gaan stuk, net als mensen. Die glazen met voetjes kosten mij de kop niet, en het schermpje van de Apple-telefoon valt bij “de telefoonturk” in Stad voor een paar tientjes te vervangen; die tweede keer, twee weken na de eerste, is gênanter, maar niet duurder. De laptop bleek bestand tegen zijn val. Mijn onhandigheid met die iPad kost me 125 euro.

Al dat vallen wil iets zeggen. Zoals de dingen van mijn schoot of uit mijn handen glijden en ik er, terwijl het gebeurt al met verbazing naar kijk. Alsof je dat wijnglas niet op de lage tafel naast je wilt neerzetten, maar het de laatste tien centimeter, in een seconde waar je even niet bij bent, gewoon loslaat. De metafysica van dat vallen, zeg maar.

Ik loop nog zoals ik lopen moet, constateerde de fysiotherapeut in het Martini ziekenhuis tijdens de “dagdiagnostiek”, een tongbreker die een halve dag duurde en me langs vijf specialisten leidde, bij wijze van nulmeting. Waar sta je nu? Wat doet het nog? Wat hapert? Zonder mankeren sta ik op, maar in een woordenwisseling met een collega leg ik het af, en op de trap zoek ik de leuning op.

Het is even na zessen. Duiven koeren. De muur van de garage vangt zonlicht. Het is windstil. In de verte hoor ik verkeer. De witte bloesem van de appelboom is bijna verdwenen en ik kijk naar het gras in de tuin, de ontmantelde vijver, een haag van jonge beukjes, zes staptegels naar het tuinhuis. Over de uitgezakte en weer opgevulde kale plekken laten we gras groeien. Gras betekent niets.

Reacties zijn gesloten.