Een goed verhaal

Het verhaal begint aan het eind van route 0.6. Eerst door een slome, brancardbrede draaideur. Dan voorbij de balie, en door een lange gang met beeldende kunst en een glaswand met uitzicht op de binnentuin, waar een man de droge aarde tussen repen cortenstaal schoffelt. Voorbij de lift linksaf. Een pijpenla tegenover het toilet.

Nog bijna dagelijks doe ik het gesprek in die kamer over. Een jonge vrouw heeft me, zonder iets te laten doorschemeren van haar vermoeden, vragen laten beantwoorden. Na die anamnese vertelt een neuroloog wat er loos is. Een uur later bevestigt een tweede neuroloog zonder enige aarzeling het klinische oordeel. Ik weet dan wat ik heb. Niet wat ik nog krijg.

Van dat gesprek beklijven steekwoorden. Progressief. Ongeneeslijk. Het advies: Doe kalmer aan. Het goede nieuws: U gaat er niet dood aan. En die dwaze reflex waaraan je je vasthoudt als het vallen begint: ik moet dit onthouden. Deze medische pijpenla. Het halve licht. De stem van die arts. Dat het vandaag de langste dag van het jaar is.

“Maar het is wel een goed verhaal”, schoot me te binnen, toen ik het ziekenhuis uitliep, langs de met roestbruin staal afgezette perkjes en het betonnen straatmeubilair. Want een goed verhaal heeft een personage nodig, een complicatie, en een climax. Of, zoals de Amerikaanse school van storytelling stelt: een resolution en a point of insight.

Of ik bang was geweest, die dag van de diagnose, vraagt van de week een student journalistiek mij. Hij wil weten – als een bekwaam interviewer op zoek naar een geladen scene – hoe het is, als je te horen krijgt dat je parkinson hebt en kort daarna al dwangmatig dit-is-wel-een-goed-verhaal denkt. Of ik ook bang was? Goede vraag. Nee. Niet eigenlijk.

De potsierlijke waarheid is dat ik al tijdens het gesprek met die twee artsen de scene aan het schrijven was. En me daar ter plekke voor schaamde. Stop er nou toch eens mee, zoek verdomme eindelijk eens niet naar woorden, maar leef. Ik dacht het, terwijl ik die neurologen vroeg hoe het verder zou gaan en of ik kon blijven lezen, denken en schrijven.

Bijna twee jaar later. Aan die student vertel ik dat ik de beste jaren uit mijn journalistieke bestaan achter de rug heb. Ik lees, denk en schrijf over het vertellen van verhalen, over wat er gebeurt als je ogen wat harder achteruit gaan dan de opticien kan bijbenen, je handschrift verkruimelt en een woord – anamnese, cortenstaal – je soms niet meteen te binnen schiet.