Als ik U

Ik snij een ui en kwijl. Het speeksel loopt me uit de mond, daalt neer op mijn zwarte T-shirt en op de donkere eikenhouten delen van de keukenvloer, tussen mijn voeten en de plint. Dat is raar. Ik kan een ui met droge ogen snijden. Dat moet iets te maken hebben met mijn reukvermogen dat al jaren aan het verdwijnen is. Kwijlen is nieuw.

Ik maak een notitie. Gedateerd op een doordeweekse dag, begin juni. Kwijlen. Ui, Keuken. Er zit iets opgewekts aan die notitie. De ironie bevalt me. Ik kan een stevige ui pellen en in snippers snijden zonder een traan te laten, maar moet het bekopen met dat kwijlen. Als er een God bestaat, is hij rechtvaardig, of tenminste nogal behendig in het verdelen van voor- en tegenspoed.

Strikt genomen begrijp ik die speekselvloed wel. Niets mis mee. Mijn motoriek is licht ontregeld. Ik slik niet naar behoren. Bovendien loop ik de godganse dag rond met halfopen mond, als in permanente staat van verbazing – een lullig bijverschijnsel van een chronisch verstopte neus. Staand aan het aanrecht, omlaag starend naar een halve ui, is kwijlen onontkoombaar.

Die gedachte aan een God die een beetje strategisch weet te middelen tussen ongemak en meevallers, tussen noodlot en Postcodeloterij zeg maar, dank ik aan Bert Keizer. Arts, filosoof en schrijver – vooral in de laatste hoedanigheid is hij meer dan briljant. Eerder, toen ik aan Carels Hoofd werkte, mijn verhaal over de hersenoperatie bij een parkinsonpatiënt, las ik van Keizer Onverklaarbaar bewoond. Dat gaat over de gruwelen van neurochirurgie, maar is net zo opgewekt van toon, net zo mild en vergevend (en tegelijkertijd verbijsterend cynisch) als Het refrein is Hein, het eerste boek dat Keizer schreef.

Keizers debuut zou je een non-fictieroman kunnen noemen. Geen enkele reden is er om aan het waarheidsgehalte van zijn ervaringen te twijfelen. Het verpleeghuis dat hij beschrijft en waarin ‘Anton’ als arts werkzaam is, bestaat vast en zeker, net als de arme donders die daar aan hun eind komen, op hoge leeftijd, zo dement als een deur, of jonger, verlangend naar de dood.

In 1994, toen Keizer dat boek publiceerde, was hij nogal met God bezig. Katholiek grootgebracht. Misdienaar. Van zijn geloof gevallen, denk ik terwijl ik hem lees, zoals alleen katholieken dat kunnen. Niet rabiaat maar rekkelijk. In grandioos geformuleerde zinnen en angstaanjagend relativerende scènes rekent Keizer met zijn God af, om toch schielijk een kaarsje aan te steken als het uitkomt.

Ergens schrijft Keizer over een gesprek met de dominee van het verpleeghuis.

“Ik vertel hem [de dominee] dat ik nooit weet wat het meest trieste idee is: dat Hij er is en ons laat barsten, dat Hij er is en ons treitert, of dat Hij er helemaal niet is.

‘Je vergeet [zegt de dominee] de mogelijkheid dat Hij er is en ons niet kan bereiken. In de woorden van de dichter: dat Gij mij even wanhopig zoekt als ik U.’”

Ik lees het en realiseer mij opnieuw dat het niet eenvoudig is ongelovig te zijn. Dat lukt nog wel als je je ongeloof intuïtief en lichtvoetig belijdt, als een cynicus die zich niet verdedigt voor zijn cynisme desnoods. Maar je gaat voor schut als je de ratio erbij sleept. Je hebt geen argumenten. Van het afwezige kun je niet aantonen dat het afwezig is, tenzij in het hier en nu. En juist daar hebben gelovigen iets op gevonden. De alom- en altijd tegenwoordige God is misschien nu even elders, maar straks weer terug – als de Vivo-kruidenier op de hoek: “Ben zo terug.”

Ik snipper die ui en denk aan Bert Keizer en God – in die volgorde.

Reacties zijn gesloten.