Voor het verdwijnt en daarna

Uit de kleedkamer, links van de kantine, komt een jongen met een vaalgeel petje en de grauwe overall van een terreinknecht. Hij kijkt mij beteuterd aan. Wat moet die man in dat pak op een miezerige woensdagochtend? ‘Veertig jaar geleden speelde ik hier,’ zeg ik. ‘O,’ zegt hij. Ik draai mij om naar het hoofdveld, en het scorebord van sponsor bar-café The Hide Away. Niets is anders. Voor de dugouts krijt een andere man het wit van de lijn.

De huizen met de platte daken aan de overkant zijn kleiner. De rotondes ruimer. Verkeerdrempels hoger. De mensen op straat ouder. Om de basisschool tegenover de hoekwoning op nummer 16 staat een stevig hek waar struiken waren met scherpe doornen. Ik duw de bruine doornatte bal die ik bij de voetbalclub jatte weer voor me uit door de haag en trap uren met een buurjongen tegen de blinde muur van het schoolgebouw. Onder de modder kom ik thuis.

Alles is anders.

Maar in het verloren uur dat ik door deze volksbuurt ‘op Zuid’ dwaal, langs het verzorgingstehuis waar de gymzaal was en het plein met het klimrek, langs kleine, witte, ‘nette’ naambordjes – ik herken alleen de familie Bronkhorst -, voorbij de bejaardenflatjes waarvan de smoezelige gevels nu eindelijk-eindelijk worden schoongespoten, in dat halve uur herinner ik mij meer dan ik dacht te zijn vergeten.

Wanneer is dat vergeten begonnen? En welk vergeten? Welk onfatsoenlijk mechanisme bepaalt dat de naam van die buurjongen (Gert) mij nu te binnen schiet, net als die van zijn oudere broer (Piet), maar niet de naam van hun zusje – spijkerbroek, lang blond haar, een slaapkamer tegenover de mijne – met wie ik naar het drielandenpunt ging, maar geen stap verder kwam?

Anne? Lise? Annelies?

We herinneren ons uitsluitend omdat we ook vergeten. Zegt psycholoog Douwe Draaisma in een van zijn boeken over het geheugen. Zonder dat vergeten zouden we geen herinneringen hebben, maar louter verwarring. Je onthoudt van alles de eerste keer. Je eerste fiets – en hoe die door midden brak toen je bij Het Blauwe Winkeltje de Buitendijk overstak, zomaar. Je eerste kampioenswedstrijd in de A-jeugd – uit in Pernis, verloren. Je eerste keer, in de duinen bij Zandvoort.

Van al die andere keren verdwijnen de details. Tijd, plaats, geur, daglicht, smaak. Wat blijft sluimeren is de abstracte, kleurloze wetenschap dat je ‘elke middag’ voetbalde, elke dag door het Zuiderpark en langs het openluchtzwembad naar school fietste, elke dag met E. om dubbeltjes eenentwintigde in de pauze – en dat hij meestal won. Je herinnert je woorden. Geen momenten, maar een continuüm, niet wie je was, maar wie je geworden bent.

Wat ik opschrijf beklijft. Maar als ik lees wat ik schreef aan mijn jeugdvriend E., en over hem, valt mij op hoe weinig precies die aantekeningen zijn. Ook dat is een wreed mechanisme. Om je te kunnen herinneren wat ertoe doet, heb je het geheugen nodig van een oudere man, zijn wil te herinneren, het verstand dat kan schiften, een hoofd waarin alles blijft hangen totdat je besluit wat weg mag. Zoals je boeken naar De Slegte brengt omdat je andere boeken koestert.

Dat schrijven doet nog iets. Het brengt ordening aan. Wat je noteert krijgt de stickyness van ‘een eerste keer’. In het beste geval herinneren we ons een verhaal, omdat dat nu eenmaal betekenis geeft, de schijn van context en continuïteit. Alles daaronder zinkt weg, alles wat meer is dan woorden die nergens meer naar lijken te verwijzen. Wat blijft is het verhaal vol ogenschijnlijk logische verbanden. Maar de personages zeggen niets terug.

Schrijven is een keuze uit twee kwaden. Je weet maar half of wat je vastlegt er werkelijk toe doet, maar misschien is dat uiteindelijk beter dan de wrede willekeur van het geheugen. Je kijkt als je schrijft in de spiegel, in de hoop dat die spiegel ooit iets terug zegt.

Reacties zijn gesloten.