Mijn god, niet nog een Natureingang

Het regent blad. Mijn knie knikt, mijn bek staat scheef. Ik ben niet goed in herfst. Niet geschikt voor wintertijd. Het liefst kroop ik weg in een warm hol, en bleef ik daar tot de zon weer opkomt als ook mijn nacht erop zit, en de kwade dromen blijven waar ze horen. Om aldoor te kunnen schrijven, al maar schrijven, schrijven tot het warmer wordt.

Een jaar en een maand geleden verbleef ik in St Erme. Een week in een bizar nonnenklooster-zonder-nonnen. Een soort pension voor kunstenaars dat groot genoeg is om te dienen als open podium, oefenruimte, laboratorium. Ik wilde schrijven aan de roman-die-nooit-afkomt. Nu, een herfst later, herschrijf ik mijn verblijf in dat klooster voor een boek dat wel voltooid zal worden.

Een hoofdstuk in dat boek speelt in St Erme. Het moet gaan over verhalen en – om er maar geen misverstand over te laten bestaan – over god. Het is mijn levenslange hangup. Feit en fictie. In literatuur en het leven zelf. Hoeveel fictie laten we toe om de werkelijkheid draaglijk te maken? Waarom hebben we romans nodig, een hiernamaals, de boodschap van boeddha, concepten als oneindigheid, leegte, het axioma van de nul?

We bestaan bij de gratie van verhalen die we elkaar en onszelf vertellen. Grote, ideologische verhalen van politieke bewegingen (‘I have a dream‘). Zingevende verhalen over troost. Persoonlijke verhalen waaruit we onze identiteit opbouwen (en als we dement worden, gaat het daar ook mis: als we een ziel hebben, bestaat die uit het verhaal dat uiteenvalt). En dan is er een vierde categorie: de verhalen – journalistiek of literair – in engere zin.

Dat St. Erme-verhaal is een drosteblikje, een verhaal over het schrijven en herschrijven en nog eens onder je handen hernemen van een verhaal, over het uitbenen van een geschiedenis. Terwijl de week zich ontrolt, personages tevoorschijn kruipen en de dingen nogal ingewikkeld worden tijdens een groot diner met kip-en-pruimen in de chaotische eetkeuken, schrap ik passage na passage, tot er niets overblijft, nul.

Ik herschrijf St Erme. Wat daar gebeurde wordt onder mijn handen groter dan het was. Het zuigt betekenis op die soms hinderlijk tevoorschijn springt (mijn god, wat een cliché, niet nog een Natureingang, wat een bordkartonnen karakters!), zoals de kramp in mijn linkerhand aan mij trekt, de pijnlijke voetzool bij het opstaan, de grimas van mijn kaken.