Gerrit Krol, als je even niet kijkt

Het moet in Amen zijn geweest, Amen, Drenthe, dat ik afscheid nam van Gerrit Krol. Terras van een restaurant, laat in de lente of vroeg in de herfst. Een lange, breekbare man die jarenlang had geschreven voor mijn krant en het nu niet meer kon. Ik at hem uit, zoals dat heet, met een brok in de keel. Zijn laatste column had ik jankend uitgelezen.

De kranten moeten morgen maar uitleggen wat Gerrit Krol betekend heeft. Ze zullen schrijven dat hij een schrijvers’ schrijver was. Een man met een ondergewaardeerd oeuvre. Een auteur van poëtische romans en gedichten die zo weinig op gedichten leken. Er is, weet ik, in Groningen een brug naar Krol genoemd. Wat wil je, als schrijver, nog meer.

Krol is de eerste niet in het Noorden. Er wordt de laatste jaren flink gestorven hier. Eerst Nanne Tepper, de grootste romancier die dit land sedert generaties heeft gekend – in potentie dan: Tepper hield op met leven toen hij het zat was, denk ik. En korter geleden ging Rutger Kopland dood, van ouderdom vooral – soms kom ik zijn weduwe nog tegen in ons dorp, en soms knik ik haar toe.

Van Gerrit Krol herinner ik me vooral dat hij meer bèta was dan alfa, en ook zo schreef. Een wiskundige – ergens in een raamloze kamer in een Assens souterrain, stel ik me voor – die iets met de allereerste computers deed voor de NAM, onbegrijpelijke berekeningen waarvan scriptkiddies later zouden vaststellen dat het poezie was. Code is poetry.

Toen ik hem uitat, namens de krant, moeten we het over zijn laatste columns hebben gehad. Krol zag mensen die er niet waren, daar kwam het op neer. Hij kreeg dagelijks bezoek, ‘dat zich gemakkelijk weg laat sturen, maar dat ook even makkelijk weer terugkomt’. Demonen, schreef Krol, die tevoorschijn kwamen uit de vuistgrote bloemen van het bankstel, ‘koppen van mensen die, in doodsangst, mij smeekten niet op hen plaats te nemen, zodat ik uitweek naar een keukenstoel’.

Ik herinner me dat Krol in zijn huisje in Oudemolen mensen zag, een vrouw in de wind, die van de verdorde stelen de droge bloemen probeert te plukken, of drie jongetjes die achter zijn rug staan te kijken hoe hij zijn stukje schrijft. ‘Als ik kijk, zijn ze weg.’

Gerrit Krol had parkinson. Daar ga je niet dood aan. Maar dood ga je wel.

En als je even niet kijkt, is hij weg. Amen.

Reacties zijn gesloten.