Dagoberts dipsomanie

9 december 2013 Geen categorie 0

Ik heb een doosje tegen het vergeten. Een smal, wit, plastic doosje met zeven klepjes voor de dagen van de week. Elke zondag (‘zo’) vul ik het met tweeënveertig pillen in drie kleuren. Elke maandagochtend (‘ma’) begin ik aan een nieuwe week en stel ik vast dat de vakjes te klein en de klepjes te stroef zijn. Mijn fijne motoriek hapert meer dan mijn geheugen.

De ene helft van al die pillen leidt na jarenlang gebruik mogelijk tot overbeweeglijkheid. Om dat te vermijden en toch de symptomen van parkinson te onderdrukken, slik ik dagelijks die andere drie pillen. De werkzame stof, zegt de bijsluiter, kan leiden tot een seks-, gok- of winkelverslaving. Het is, zou je zeggen, balanceren tussen bijwerkingen.

De laatste maanden spelen de eerste pillen op. Ik trekkebeen, mijn hoofd schommelt, mijn wijsvinger weet van geen stilhouden. Wie mij ziet, ziet niets aan mij. Het is subtiel en particulier, zoiets als rillen van de kou, met dit verschil dat het langzaam pijn gaat doen. En het klinkt raar of naïef, maar met pijn had ik geen rekening gehouden.

Mijn neuroloog suggereerde een week of wat geleden de dosering van de tweede soort pillen – ropirinol – wat te verhogen, in de hoop dat ik dan wat minder van de eerste soort – levodopa – kan slikken. Hij vroeg of ik op de hoogte was van de bijzondere reputatie van ropirinol. Dat was ik. ‘Vooral jonge mannen lopen een risico,’ zei hij, om mij gerust te stellen.

Het is ongepast, ik weet het, want ropirinol heeft mensen tot diepe en onbegrijpelijke waanzin gedreven, maar ik was ook wel nieuwsgierig naar die ongewenste effecten. Na een half jaar met de laagste dosering heb ik nog nergens last van, terwijl ik eigenlijk ook wel wilde weten hoe het zou zijn: niet meer kunnen stoppen met toepen, geen koopavond meer overslaan.

Inmiddels begin ik te vermoeden dat ik hoe dan ook mijn deel wel krijg. Zonder het zelf helemaal in de gaten te hebben – je verliest je verstand nu eenmaal niet bij je volle verstand, ook niet een beetje. En voor een verslaving kies je niet zoals je voor een hobby kiest.

Ik heb er niemand naar gevraagd, maar kan mij goed voorstellen dat die hersenpillen niet per se nieuwe dwangmatigheden opwekken, maar versterken wat er al zit aan karakterologische defecten. Ik dronk al elke avond een glas wijn, was eerder al tamelijk precies qua boekhouding, en kon al janken bij elke sentimentele film met Julia Roberts. Nu drink ik meer dan goed voor mij is, check ik om de haverklap mijn bankrekening, en schrik ik van het minste.

Het eerste wordt wel dipsomanie genoemd. Het tweede mag een Dagoberttic heten. Beide zijn vooral vervelend voor mijn huisgenoten. Mij zit vooral dat schrikken dwars. Je staat in de intercity op het balkon – zo heette dat -, voelt het rijstel wat schommelen over de wissels, en stelt je ter plekke voor dat die trein uit de bocht vliegt. Je schrijft en kan de dwanggedachte niet onderdrukken dat al je data, dagelijks met versienummers zorgvuldig opgeslagen in de wolk, ineens verzwolgen is.

Meestal lukt het mij wel die angsten weg te redeneren. Dat doe je immers ook met een kwade droom waaruit je wakker wordt. Je vertelt jezelf dat het huis niet lekt en de Hunnen niet bij Beilen staan. Maar ik realiseer mij ook dit: ik heb vooral schrik voor de schrik, het is vooral die lichte, redeloze en overbodige paniek die mij angst aanjaagt, juist omdat ze licht, redeloos en overbodig is.