Ik kan de overkant niet bereiken

Het is een spel, misschien zoiets als schaken. In elk geval dwingt het me terug naar de eettafel aan de Doklaan, de krappe etage boven de Maastunnel-ingang die ik meer dan dertig jaar geleden huurde. Met E. en P. speelde ik op drie borden tegelijk, terwijl onder ons de Rotterdamse penoze zich verzamelde in een luidruchtige buurtkroeg.

Mijn vrienden studeerden nog, ik was sinds enige jaren journalist en kon me die pijpenla net veroorloven. Als we schaakten dronken we rumcola en aten borrelnootjes – veel fraaier werd het niet, met uitzondering van het spel. Zonder klok. Zonder veel woorden. Tot het allerlaatste eindspel, alsof het er waarachtig toe deed.

Ik hou van die vierenzestig velden, de stilte van het hout, de elegantie van de mogelijkheden. Van mijn vader kreeg ik ooit een schaakbord dat, zo wil het verhaal, was gemaakt door een man die gedwongen in Duitsland werkte. Dat roept taal op, even hoekig als rijk, met woorden als loper, hout, rochade.

Niet lang na die avonden met mijn twee jeugdvrienden sprak ik in Groningen de wereldkampioen dammen, Jannes van der Wal. We zaten in de Drie Gezusters, toen nog een kleine kroeg op de Grote Markt. Van der Wal was, to put it mildly, een beetje raar. Ik vroeg hem wat er mis was, met hem, zijn carriere, het leven zelf.

‘Ik kan de overkant niet bereiken,’ zei Jannes van der Wal.

Het is een spel, dit leven, schaken misschien, meer dan dammen. Ik moet de namen van die stukken onder handbereik hebben, en woorden als damevleugel – en natuurlijk ben ik niet intelligent genoeg om dezelfde eeuwige schoonheid te zien in platte schijven en honderd velden die alleen genummerd zijn.

Maar schoon is het zeker. En onontkoombaar, alsof je met een pion minder begint en al zeker bent van de nederlaag, maar in de opening geniet van de mogelijkheden, je verheugt op het raffinement van het middenspel terwijl je je ondertussen voorbereidt op het sobere eindspel, kalm en beperkt, met steeds minder middelen, tot aan het onafwendbaar mat.

Met mijn vrienden P. en E. speelde ik bijna altijd tot het bittere einde door. Vanwege het spel, de rumcola, en de nootjes. En het weinige dat wij tegen elkaar zeiden. Opgeven was er niet bij.