Nachtportier

Op de gekste momenten word ik wakker. Ik leef als een nachtportier naast het gewone leven. Bijna elke ochtend hoor ik hoe de krant op de mat ploft. Daarna de geluidloosheid van dit dorp. Een uur en een dagblad later rijden de eerste auto’s in de straat.

Als de intercity naar Zwolle mij opvalt, en de buurman in de regen zijn hond uitlaat, hoofd omlaag, de een gelaten, de ander snuffelend, schrijf ik al.

Geen nacht gaat voorbij waarin ik slapend de wekker haal. Dat is onhandig. Niet vanwege die eerste stille uren, die zijn een zegen, maar doordat ik later op de dag onherroepelijk weer een half dagdeel inlever.

Gek hoe dat telkens begint met tranende ogen, waarna ik geheid drie keer geeuw, en mijn ogen maar sluit. Er is geen houden aan.

Ik slaap rommelig, maar ik schrijf meer dan ik in jaren heb gedaan. Stukken voor de krant. Delen van een boek. Aanzetten van nog een ander boek. Dat ging vanzelf, even onbedoeld als dat nachtelijk ontwaken. Zonder dat ik het goed in de gaten had, ben ik fitter geworden. Ik maak dagen die zich een kwartslag naast het normale leven afspelen, maar niet meer de helft korter zijn. Daardoor voelen die uren als extra uren, gratis tijd, een toeslag voor onregelmatigheid.

Of dat van de pillen komt?

Zou goed kunnen. Een progressieve ziekte, weet ik nu, is zoiets als ongelijkmatig verzakken. Sommige symptomen – te moe om de middag te halen – houden zich een tijdlang stil, terwijl andere – een onwillig been, kramp in mijn hand, een stijve nek – juist opspelen.

Mijn neuroloog laat me sinds een maand of wat een nog iets hogere dosis Requip slikken. Dat middel staat bekend om zijn bijwerkingen – zoals een seks-, gok- of winkelverslaving – maar heeft mij begin vorig jaar ook al uit de put gehaald toen ik alleen maar uren inleverde.

Die dwangmatigheden, zei mijn neuroloog toen ik even aarzelde, komen vooral voor bij jongere mannen.

‘Daar ben jij al te oud voor,’ bedoelde hij. Bij wijze van geruststelling.