Steeds meer ben ik mijn vader na

13 februari 2014 Geen categorie 0

Hij herkent mij aan mijn loopje. Zegt mijn zoon, in de donkere straat langs het spoor, als ik van het station naar huis loop en hij op weg is naar ‘een biertje met Marc’. Loopje? Wat is dat voor loopje? Wat gebogen misschien, ineen gedoken, een beetje onzeker alsof ik gedronken heb – in elk geval ‘een loopje’. En ik vraag mij ter plekke af hoe mijn vader liep.

Ik liep te denken aan mijn vader, weet ik nog. En aan de regel die ik schreef toen hij nog leefde. Al in de paar minuten trein tussen Stad en Haren probeerde ik terug te halen wanneer dat precies was, die regel. Jaren in elk geval voordat ik de regels schreef die wel goed waren, en in een tijdschrift werden afgedrukt – dat waren de regels waarin ik hem herdacht.

Steeds meer ben ik mijn vader na. Dat was slechte poëzie, neigend naar melodrama. Mooi ritme, dat wel, met die hoekige jamben. Maar waarschijnlijker is dat die acht lettergrepen me zo lang zijn bijgebleven omdat ze programmatisch bleken te zijn. Een recept. Een aankondiging. Een voorspelling van het soort dat desondanks uitkomt.

Een lange, magere, zongebruinde man. Al oud toen hij mijn vader werd, net 42, maar met een jeugd die ophield toen de oorlog begon en een volwassen leven dat niet wilde beginnen toen die oorlog voorbij was. Daar heb ik het nooit over gehad met hem toen het nog kon. En toen het kon, toen het gezakt was, en hij begon terug te kijken, verdween de samenhang, verdween zijn verhaal.

Hij had tien tegen één een beginnende alzheimer – en niemand die het zag. Vergeetachtig, lastig, incontinent – dat zagen we wel. Hulpbehoevend, bang en tien tegen één hartstikke eenzaam. Hij zat bij mij thuis, een appartement in de stad, wat opgevouwen in een diepe stoel. Ik had een snee brood voor hem belegd. En hij zei dat hij thuis zijn borrel niet meer kreeg.

Dat moet de zaterdagmiddag zijn geweest waarop mij die regel inviel. Hij is mij na, bedoelde ik. Ik mag hem wel – en heb dat lang niet doorgehad. En tegelijkertijd moet ik hebben geweten dat ik op hem zou gaan lijken, dat ik grijs zou worden als hij, en onhandig, en dat ik elke zomer uren in de volle zon zou willen zitten en de heg zou snoeien en bang zou zijn om hem te worden.

Mijn vader, lees ik in oude notities, was in zijn jeugd een snelwandelaar. En een niet onverdienstelijk doelman. Zou ik zijn loopje herkennen?