Ik schrijf om te vergeten

21 februari 2014 Geen categorie 0

Toen de gong klonk had ik geen besef van tijd. Waren er vijf seconden verstreken? Dertig? Een minuut? In elk geval was ik van de wereld geweest, rechtop zittend, met mijn billen op een rond kussen, mijn voeten op een matje, mijn hoofd rollend in mijn nek zoals het wilde rollen, maar mij niet meer bewust van de ongemakkelijke pijn in mijn linker enkel.

Slaap, daar leek het op. Wakkere slaap.

‘Bijzonder,’ antwoordde ik toen de man naast mij vroeg ‘hoe het voor mij was’, deze kennismaking met meditatie. En ik vroeg mij af wat ik anders had verwacht. Niets eigenlijk. Laat het maar zijn, had ik gedacht, beneden aan de trap van de Amsterdamse portiekwoning. Als je dan toch nieuwsgierig bent, doe dit dan niet half, of een beetje, maar onderga het als de film La Grande Bellezza, of een MRI-scan.

Het kwam van de vijf mensen die ik ontmoette. Een regisseur met een zwak voor boeddhisme. Een ondernemer in Drenthe. De eigenaar van een klooster in Frankrijk. Een vriendin die ik al jaren kende, maar niet goed genoeg om te weten dat zij mediteerde. De vriendin en schrijfster in Amsterdam die soms voor vier dagen naar Friesland trok voor een retraite en me deze avond meenam naar die zolder aan een Amsterdamse gracht.

Niets in mij neigt naar religie. Te sceptisch, te cynisch. Maar ik ben niet ongevoelig voor het concept ‘leegte’, of ‘afwezigheid’, of ‘niets’. Altijd gehad, een sluimerende fascinatie voor wat er niet is. Een van de leukste boeken die ik ken, is de biografie van ‘nul’, Zero, the biography of a dangerous idea, waarin wordt uitgelegd dat delen door nul niet kan, maar de keiharde wis- en natuurkunde weer klopt als je accepteert dat iets ‘kan neigen naar nul’. Daar is niks zweverigs aan.

De nul komt uit India. Wij – dat wil zeggen de oude Romeinen – hadden hem niet nodig. Wie zijn schapen telt, begint bij één schaap. Wie geen schapen heeft, telt niet. Een stuk land dat nul meter breed is, is niet een heel klein stuk land. Het is niet. In India begrepen ze dat niet beter, maar anders. Ze bouwden er een filosofie op, een streven: niets worden, leeg zijn, void.

Dat concept heeft praktisch nut. Het tientallig stelsel had die nul nodig. De moderne wiskunde ook. En aan het binaire stelsel – enen en nullen – danken we Facebook en de Iphone en schrijf ik nu niet met potlood of pen maar achter een pc. Dat is allemaal uit te leggen aan rationele sceptici, gemakkelijker dan dat andere nut: leegte als oefening – meditatie dus. Als dat tenminste is wat ik denk dat het is.

Op die zolder in Amsterdam waren zes of zeven andere mensen. Niet aan denken, dacht ik. Ze hoeven niet weg, maar ik hoef ze ook niet te zien, want ik wil weten of ik mij kan ontspannen, of ik mijn hoofd leeg kan maken, kan stoppen met denken. Tijdens een te lange autorit, als ik slaperig word, en de auto een parkeerplaats oprij, kan ik dat ook. Dat noemen ze een powernap. Heel verkwikkend.

De man die naast mij zit op net zo’n matje zegt af en toe iets. Hij klinkt als de gids in een museum die op kalme toon uitlegt wat je zou kunnen zien als je beter keek, hoe de schilder perspectief laat werken, naar welke verhalen en iconen hij heeft willen verwijzen. Ik probeer niet naar de man op het matje te luisteren. Ik probeer niet te denken. Wil de tram die buiten door een bocht gaat niet horen. Hoe klinkt een muur, vraag ik me af. Luister naar een muur.

Ik stop met denken op het moment dat ik niet meer wil stoppen met denken – het is de paradox van meditatie, legt mijn Amsterdamse vriendin me later uit. Je streeft naar ontspanning, maar ontspant je pas als je er niet meer naar streeft. Er waaien nog gedachten binnen, maar als je ze laat passeren, als verkeer op een kruising, en gewoon wacht, blijven ze uit.

‘Beginnersgeluk,’ reageert ze, als ik vertel van de gong en de wakende slaap. ‘Het kan verslavend zijn.’

Dat zullen we nog wel eens zien, zeg ik, maar onderweg naar huis realiseer ik mij dat dit is hoe schrijven werkt als het goed gaat: je legt geen beelden vast om ze te onthouden, maar om ze los te laten. Je formuleert niet om een probleem op te lossen, of een scene weer te geven, maar om het kwijt te raken. Ik schrijf om te vergeten.