Wennen is wachten tot het minder wordt

Als ik wil slapen, vertel ik mijzelf een oud verhaal. Werkt altijd. Mijn hoofd raakt leeg van verveling, gewoonte, vertrouwdheid, gewenning. Het moet een lekenvariant van meditatie zijn: drie zinnen en ik ben weg. Maar nu wordt het tijd de knop te vinden om niet-weg te zijn, wakker zonder verhaal.

Het grootste deel van mijn leven heb ik haast gehad. Om te schrijven, ergens aan te komen, een tekst af te maken. Sinds drie jaar is haast zinloos. Nu het langer duurt, trekt de rust uit mijn ledematen. Ik word houteriger en onhandiger. Kleine pijn begint alledaags te worden.

Ik wen aan die roestige nek, de ballorige kramp in mijn linkervoet, de spasmen in mijn hand – wat moet ik anders? Tegelijkertijd krijg ik haast als niet eerder. Want de tijd raakt op en ik wil nog op reis, ik wil nog schrijven en liefhebben, ik moet nog lezen en wandelen en leven in het nu.

Een tijdlang heb ik mijn zegeningen geteld. Wat mij overkwam was tenminste ergens goed voor, en mogelijk een belevenis, zoiets als de rollercoaster van Coney Island: ik was daar ooit, in 1984 geloof ik, en begreep niet goed dat het nooit geweldig misging met die krulspagetti van oud ijzer.

In elk geval leek het mij een goed verhaal. Ik wilde dat wel vertellen, en ben dat ook gaan doen. Ik leef nu zin voor zin. Wat ik niet had verwacht was dit: het wordt op den duur langdradig, de spanning raakt uit het verhaal als elastiek dat te lang buiten lag, een vriendschap die versukkelt.

En ook daar wen je weer aan. Op de trap hou ik mij nog wat steviger vast. Ik richt mijn dagen in op rare uren – waarom zou ik niet om kwart over vijf wakker zijn? Van het feestje van een vriendin ga ik weg als ik nog kan lopen. Het went, maar wennen is wachten tot het minder wordt.