Mijn handen

Soms hebben mijn handen geen weet van elkaar. Ik draag twee glazen wijn van de keuken naar de woonkamer, en ik mors met links, terwijl ik weet dat ik ga morsen, en zowel mijn rechter- als mijn linkerhand opgedragen heb deze keer ‘gewoon’ te doen. Ergens gaat het mis. Zo voelt een wiel zich dat niet goed uitgelijnd is.

Aftakelen is kwijtraken wat vanzelfsprekend was. Dat geldt ook voor ouder worden, ik weet het. Je zintuigen laten het stilaan afweten, je koopt een bril, proeft de kruiden minder precies, en probeert je te herinneren hoe het nat geregende haar van een vrouw rook.

Maar ik verbaas mij over mijn handen.

Nooit had ik stilgestaan bij het feit dat ik twee handen heb. En al helemaal had ik mij niet gerealiseerd dat die handen verder van elkaar verwijderd kunnen zijn dan alle andere, in tweetallen aangebrachte lichaamsdelen (oren, voeten, longen), maar desondanks in volmaakte harmonie samenwerken.

Kijk naar de handen van een concertpianist. Zie hoe een kind een bal vangt. Volg je handen als je met rechts een koffiepad in de automaat legt, en tegelijkertijd zonder erbij na te denken met links een glas afspoelt.

Ik vang een tennisbal nog moeiteloos. Piano heb ik nooit gespeeld. Maar als ik koffie zet, verstopt mijn linkerhand zich. Hij doet niet mee, hij trekt zich terug, beschaamd lijkt het wel. Hij wil dat glas niet omstoten. En hij wijst mij erop dat ik die tennisbal met één hand vang, met rechts.

Reacties zijn gesloten.