Pijn is een verhaal

Pijn schrijft niet lekker. Dat denk ik terwijl ik schrijf. Mijn linker pols rust daarbij op de rand van mijn laptop. De pink en ringvinger van mijn linkerhand trekken tegenwoordig even obstinaat omhoog als de wijsvinger die daar al tijden geleden mee begon. Van al die vreemde streken verkrampt mijn hand. ‘Alsof je te lang te hard in een tennisbal hebt geknepen,’ zeg ik soms, als mij gevraagd wordt wat het is, die pijn.

Vooral is het niet prettig over pijn te schrijven.

Al weken zoek ik naar de lichte kant, de relativering, de morbide grap desnoods. Die is er niet. Mijn onhandig struikelen heeft nog iets van slapstick. In tranende ogen en tanend reukvermogen schuilt poëzie. Maar pijn is pijn.

Heel dramatisch is het niet. Denk aan een sportblessure. Een verstuikte enkel. Een verdraaide knie. En als je het met hoofdpijn zou moeten vergelijken: de malheur van een iets meer dan gemiddelde kater, zes op een schaal van tien. Net zo vervelend als één slechte fles slobberwijn – en net zo doeltreffend te bestrijden met een paar paracetamol, of twee paar paracetamol.

Pijn laat zich lastig vertellen. Dat de zool van mijn linker voet zeer doet als ik loop, de spieren van mijn nek verzuren omdat mijn hoofd gedurig scheef staat – als dat van een aapje dat lijkt te luisteren naar gefluister –, dat er iets scheef zit tussen bil en hamstring – het laat zich niet vaststellen. Niet objectief, niet met zekerheid.

Dat is waarin pijn lijkt op bewustzijn. Het zal geen toeval zijn dat de zeventiende-eeuwse Franse filosoof René Descartes op het idee kwam dat dieren het een noch het ander hebben, pijn noch bewustzijn. Volgens hem waren dieren domme machines. Pas de laatste tijd zijn we tot de conclusie gekomen dat dieren, althans de gewervelde dieren en nog wat bijzondere soorten als de octopus en wie weet de mossel, pijn kunnen hebben.

De link tussen beide, pijn en bewustzijn, moet ‘m zitten in het verhaal. Wie zichzelf kan waarnemen en kan vertellen wat hij ziet, ruikt, voelt, hoort en proeft, kennen we een bewustzijn toe. Tot die conclusie kwam Aristoteles al, bijna 2500 jaar geleden. Het kan opnieuw geen toeval zijn dat de Griek ook de grondlegger is van de verhaaltheorie zoals die tot op de dag van vandaag wordt gehanteerd.

Wie niet meer over zichzelf kan vertellen, verliest zijn bewustzijn. Dat is wat dementie doet, hoe zeer je ook bij kennis bent, hoe alert ook, hoe ogenschijnlijk normaal en vrolijk desnoods.

Dementerenden, las ik bij de Amsterdamse arts, filosoof en schrijver Bert Keizer, zijn de draad van hun eigen verhaal kwijt. Ze kunnen hun leven niet meer vertellen, de chronologie is eruit, oorzaak en gevolg, de volgorde van een avondmaal met aardappelen, groente en gehakt.

We denken dat dementerenden blije idioten worden die geen pijn meer voelen. Bert Keizer weet dat het anders zit. Ik vrees dat hij gelijk heeft, dat hun pijn even moeilijk vast te stellen is als de pijn van een octopus. En ik prijs me gelukkig dat ik schrijf. Zo lang ik kan vertellen, ben ik er.

Reacties zijn gesloten.