De eerste jaren zijn een feest

Ruggelings drijvend in het lauwwarme ochtendwater van het Helper Zwembad denk ik F. nog te horen. Hij hapte gisteren naar adem en zocht af en toe naar woorden. F. is even oud als ik, maar ligt drie jaar op mij voor. Ik moest hem bellen tussen zeven en half acht ‘s avonds. Dan werkten zijn medicijnen. Wij hadden elkaar in geen tien jaar gesproken.

Ik trek baantjes in het bad. Kijk brilloos naar de betegelde pilaren, de galerij en het plafond. Ik zie te weinig om het monumentale gebouw te waarderen, en hoor te veel andere ouderen – dat denk ik: ‘andere ouderen’ – om plezier te beleven aan het bad. Zwemmen is niets voor mij. Ik zwem als een man zonder diploma’s. Ik héb geen diploma’s.

De fysio raadde het aan. Mijn spieren komen langzaam vaster te zitten, als rituelen in een huwelijk, en het warme water doet ze goed. Dat beweegt gemakkelijker, zeggen ze. Maar ik stoot me onhandig in het krappe kleedhokje waarvan ik eerst niet begrijp hoe de deuren dicht kunnen en heb nóg een hand nodig om het kluisje open te houden.

Op mijn rug zwem ik een laatste baantje. Ik ben nog te goed om in een revalidatiecentrum ‘een waaier van zware kneuzen’ op te zoeken, zoals een collega het grijnzend uitdrukte. En welja, als ik mij niet te veel uitsloof, maar water trappel en hurk in het ondiepe, voelen mijn spieren hier niet dat ze zichzelf tot last zijn.

‘Ik schrijf erover,’ zei ik een avond eerder tegen F. Hij wist het, hij las het soms. Ik geloof niet dat het heel goed met hem ging, al klonk hij vastberaden. Ik zei dat het mij de eerste drie jaar niet was tegengevallen. Je went eraan, net zo sluipend als de parkinson progressief is. Het had me ook wel wat opgeleverd, zei ik. Ook dat herkende F. De eerste vijf of zes jaar zijn een joyride, zei hij.

Ik moest F. bellen om zeven uur ‘s avonds, dan was hij ‘on’. Toen we een half uur hadden gesproken, kondigde zijn tremor zich aan. ‘Wacht even, ik zet je op de speaker.’

Ik trek baantjes op mijn rug en probeer niet vooruit te kijken.