Hoe je een mus van een mees kunt onderscheiden

Naelf jaar in Haren nog steeds een stadsmens die nauwelijks een mus van een mees kan onderscheiden. Totdat op een donderdag dat beestenspul het wel genoeg vindt.
Eerst vliegt een merel de garage in. Het dier is de weg kwijt, begrijpt niet wat glas is en moet naar de geopende garagedeur worden geholpen. Dom dier.

Een half uur later krast er iets op zolder. We doen het luik open. In paniek fladdert er iets naar de slaapkamer. Het is een zwaluw die in shock op een kussen blijft zitten. Ik draag m naar buiten. Het duurt een minuut of wat, dan vliegt ie weg.

Nog wat later springt onze kat, die nog nooit een vogel heeft gevangen, nog geen vlinder kwaad kan doen, bovenop een jong meesje. We jagen de kat weg en moedigen het meesje aan een hoge tak te zoeken.

Als ik even niet oplet, heeft de kat het vogeltje opnieuw te pakken, nu onbereikbaar onder een grote struik. We geven de mees op. Twee uit drie is geen slechte score, qua stadsmens.

Maar onze kat is meer stadsdier dan wij. Geen idee heeft ze hoe je dat doet, zo’n meesje. Even later zitten ze samen in het gras, en moedig ik het vogeltje aan te vliegen.

Het gaat achterin de tuin twintig centimeter hoog op een takje zitten. De kat vlucht onder een tafel, schuldbewust. Ik vrees dat haar buurkaters de mees als snack beter zullen waarderen.

Is het dan klaar? Welnee. Ineens zie ik de kat kijken naar de hoek waar het meesje zijn laatste tak vond. Over het gras schuifelt een egel. De kat weet niet wat ze ziet, en blijft zitten.

Ik wacht op het eerste edelhert dat uit het struikgewas zal opduiken.