Schrijver eerste klas

Mijnvader was een lange man met een hoed. Hij was ‘schrijver eerste klas’, al had zijn werk bij een rijksdienst niets met schrijven van doen. Hij vulde getallen in op foliovellen met blauwe ruitjes.

Toen hij vervroegd met pensioen ging, omdat hij dan de automatisering ‘niet hoefde mee te maken’, kreeg hij ‘van kantoor’ een gouden horloge mee. Wij, zijn kinderen, gaven hem een fiets.

De zomer dat hij stopte als ‘schrijver’, en begon te krimpen, wat schrikachtig werd en ziekelijk, en op den duur zijn fiets maar liet staan, bang als hij was om te vallen, begon ik bij mijn eerste dagblad, Het Vrije Volk.

Het was 1980. Ik wilde schrijven. Zo loste ik hem af. Vijf jaar later was mijn vader vergeetachtig geworden, en incontinent, en kwam hij bij mij klagen dat mijn moeder hem zijn dagelijkse jonge borrel ontzegde.

En toen ging hij dood.

Een leven later ruim ik de nog niet halfvolle kartonnen doos leeg die ik meenam naar huis, op de dag dat ik afscheid nam van Dagblad van het Noorden, de derde en laatste krant waarvoor ik schreef.

Alle ordners met dossiers heb ik eerder al leeg getrokken. Mijn iPhone heb ik ingeleverd, nadat ik het geheugen heb gewist. Maar in die doos vind ik, tussen visitekaartjes, paperclips, notitieblokjes en lekkende pennen, ineens dat gouden horloge terug.

Een Certina. Stainless steel back. Water- en shockproof.

Na mijn vaders begrafenis moet ik het uurwerk hebben gekregen van mijn moeder, samen met een verweerde, in leer gebonden Statenbijbel. Ooit onvindbaar in een la beland, dat horloge. Niet meer aan gedacht. Ik was al vergeten – vergeten is een manier van niet meer willen missen – dat ik dat horloge kwijt was.

Het glas vertoont krasjes. Het bandje is weg. Maar ik open een fles rode wijn om het te vieren, en weet weer dat ik minder zou moeten drinken.

Van het geld dat mijn collega’s op de krant inzamelden, koop ik een fiets. Ik schrijf over mijn vader. Vandaag of morgen koop ik een hoed.