Godvergeten toeval en de kerstnachtdienst

15 januari 2015 Geen categorie 0
Ik had duizend levens en kreeg er twee. Dat is er één meer dan de meeste mensen. Van alles wat ik had kunnen doen, van alle keuzes die ik had kunnen maken, uit al die duizend mogelijkheden koos ik mijn eerste leven. Het tweede kreeg ik er zomaar bij. ‘Een man in een ietwat onhandige houding,’ op een foto in NRC.

nrc-henkIn dat tweede leven lopen mensen rond die mij niet in mijn eerste leven kenden. Ik ben de man geworden op die foto bij dat interview, met dat scheve hoofd en gekruiste armen die niet weten waar ze het zoeken moeten. Geen spoor van een lachje, een grijze trui als een tentdoek – het is alsof ik elk moment voorover kan vallen.

Ik had duizend levens – vrij naar Nooteboom en Kundera. Maar in dat tweede onhandige leven schrijf ik beter, en denk ik zin voor zin na over de kunst van het vergeten, de schoonheid van het verval en godvergeten dom toeval. Ik schrijf er zelfs een boek over, Pistoolvinger, dat zachtjes aan naar zijn laatste hoofdstukken gaat.

Je verhaal wordt beter naar mate het slechter met je gaat, zei laatst een vriend. Hij had gelijk. Soms kan ik niet wachten, net als die oude kennis met wie ik in een café had afgesproken. Vlak voordat hij me zag zitten, dacht hij dat ik dat was, die man aan de bar, met zijn rug naar hem toe en die twee krukken naast hem. ‘Ik loop nog,’ zei ik.

Ik ben de man geworden die met zijn zoon naar de kerstnachtdienst in de Martinikerk gaat, nadat ze samen een broodje aten op de Grote Markt. ‘Die anderen staan met 1-0 voor’, zeiden we, toen we onze mondhoeken grijzend schoonveegden en om half elf ’s avonds aansloten bij de rij gelovigen.

Na veertig jaar wilde ik mij herinneren hoe het was, een kerk, een preek, dat pompend trage orgelspel bij Nu zijt wel-le-ko-me, Je-su lie-ve heer. Het laten wij bidden. Het heer ontferm u. Het Onze Vader. Het lam van god.

Alsof het gisteren was, en ik nog geen tien jaar oud het pepermuntje van mijn vader op mijn tong liet smelten – de protestantse hostie. Ik zing die kerstliederen galmender mee dan eender welke bloed-zweet-en-tranen-hit, als het echt zou moeten..

Het ontstellend simpele verhaal (hij kijkt naar ons om en alles komt goed), dat ken ik. Het voelt als het grindpad achter het huis van mijn opa, de waslijn, de kolenkit, de kerkdienst van de ziekenomroep. Geborgenheid lijkt me waarover het gaat. Daarbinnen bestaat geen ruimte voor blind toeval; alles is voorbestemd. Dat was het althans in de jeugd met dat pepermuntje.

Ik geloof in niets dan godvergeten toeval. Dat bedoel ik niet blasfemisch, maar zoals het er staat. Toen hij ons opzadelde met een vrije wil die ons uit duizend levens liet kiezen, vergat hij het toeval, de domme pech die me een tweede bestaan gaf. Of zoals ze in dit dorp van niet-dik-doen ook wel zeggen: ‘Je hebt het nu eenmaal niet voor het kiezen.’