Half een man

Nooit goed geweest in feestjes. Ongezellige man, ik. Maar als B. zijn verjaardag viert neem ik de boemel naar Assen en struikel ik naar zijn voordeur. ‘Sta je hier al lang?’ grijnst B. als hij me binnenlaat. Welnee, zeg ik, maar het had zomaar gekund, want de helft van mij durft niet zo goed. De andere helft duwt hem twee romans in handen, Under the volcano en Heart of darkness. Dat zal ’m leren.

Ik val de laatste weken wat sneller uit elkaar. Oud worden is al niet voor watjes. Plak op je tanden, vlekken op je huid, een morsig geheugen, een humeurige ziel. We worden ouder en wijzer, maar toch vooral ouder. Bij mij gaat dat nog wat sneller en grondiger. Als ik tien minuten aan een statafel in de volle huiskamer van B. wijn drink, begint mijn linkerhand raar te doen, en wil een been steeds weg.

Juist voordat ik maar ga zitten achter een groep vrienden van B., die stuk voor stuk een kop en een hals boven mij uittorenen, komen vier nimfen binnen, jonge collega’s die nog meer boeken meebrengen, leesbare zelfs. Ik luister, maar raak al snel de draad kwijt. Als J. arriveert – goede vriendin, Zen en de kunst van het motoronderhoud – besluit ik na tien minuten te vertrekken.

Ik loop voorzichtig naar het station en ontdek dat ik de vertrektijden heb aangezien voor aankomsttijden – wat ook een mooie metafoor is, al weet ik bij God niet waarvoor. De boemel die ik net wilde halen, heb ik net gemist. Toch is het beter nog een klein half uur in de kou over het perron te ijsberen dan in die volle huiskamer te verkrampen. Voor mij, die niets liever doe dan in mijn kamertje schrijven, is drie inderdaad al een menigte.

Misschien kwam het van de vermoeidheid. Waarschijnlijk was het dom om het laatste uur voor middernacht nog naar Pistoolvinger te kijken, Ik kon niet slapen toen ik een zin kreeg aangereikt (‘Ik heb zo weinig kracht in mijn linkerhand dat ik nog geen trekker kan overhalen’). En toen ik sliep, schrok ik rond half twee schreeuwend wakker. Een man schoot uit een kast tevoorschijn om me te mishandelen; hij zag eruit als B. Ogen dicht en doorslapen riep de angstdroom terug. Na drie keer zat ik overeind.

Ik ben half een man. Dat dacht ik. De laatste weken verzenuwd, en al snel tot janken bereid. Van een reclameposter voor een nieuw model Koraanse smartphone kan ik al van streek raken. Als ik maar lang genoeg kijk naar een afgebroken tak die bovenop het sneeuwbed in mijn voortuin drijft, springen de tranen me van ontroering in de ogen.

Beneden op de bank ben ik opnieuw in slaap gevallen, nadat ik de lichten had aangedaan, een paar paracetamolletjes had doorgeslikt en had opgezocht waar dat zinnetje vandaan kwam. Half a man. Willie Nelson. Maar mooier is Nirvana, Half the man I used to be. Ik schreef het op. En toen ik het niet meer kon vergeten, sliep ik in.

Reacties zijn gesloten.