De dorst is groter dan het verval

Doe mij maar witte wijn. Een glas chardonnay. Hoeft niet duur te zijn, mag per liter van de buurtwinkel, want sinds ik me beperk tot een fles per dag moeten het wel héle flessen zijn. Wijn om een uur of vijf in de middag, als de pillen uitgewerkt raken, verdooft de zanikende pijn en doet me dat trekken in mijn been en die droge mond vergeten. Doet me alles vergeten.

Ze zeggen dat ik zowat halverwege hulpbehoevend ben, de statistieken waaraan geen enkele parkinsonpatiënt zich houdt. Tussen diagnose en rolstoel zit gemiddeld acht jaar; je kunt er op wachten als het ware, je groeit er langzaam in, stap voor stap. Dat vooruitzicht drink ik elke dag weg. Ik sta als Lazarus weer op – dixit de dichter Jan Eijkelboom.

Op sommige dagen is mijn linkerhand te verkrampt om het glas te pakken, maar meestal is de dorst godlof nog groter dan het verval. Totdat ik merk dat de wijsvinger van mijn linkerhand niet langer de godganse dag omhoog wijst – de ‘pistoolvinger’ – maar uit zichzelf in het niets ergens op tikt, op lucht, tegen mijn kussen, tegen de rand van het toetsenbord. Dit is een vreemde ziekte, net als liefde.

Ik moest wat. Dus rij ik sinds een maand of drie twee keer per week naar een blokkig pand aan de rand van Stad. Daar fiets, wandel en roei ik een uur lang bij een gespecialiseerde fysiotherapeut, samen met mannen en vrouwen die allemaal een stuk ouder en aanmerkelijk zieker zijn. Ik trap gewicht weg, tart mijn buikspieren, recht mijn rug.

Langzaam wordt het makkelijker. Ik word fitter. Meer adem, meer meters, zowaar wat zweet. Behalve op de crosstrainer. Bij elke omwenteling staat mijn volle gewicht even op mijn linkerbeen. Dat been kan dat niet aan. Er wordt te veel van dat been verwacht. Ik kan mijn evenwicht niet aan dat been toevertrouwen.

Ik moet wat. Minder drinken. Dat schiet me te binnen nu een huig van oud leer en een bibbervinger me willen vertellen dat het leven al lastig genoeg is. Maar na tien dagen zonder alcohol, voor het eerst sinds vier jaar, geef ik ongaarne toe dat het tijd werd, dat ik beter en langer slaap, waarschijnlijk wat genietbaarder ben, en het vreemd genoeg goed doet toe te geven dat ik niet meer zonder kon.

Reacties zijn gesloten.