Een man met een hoed

Van het Feithhuis en een kop koffie met een goede vriend wandel ik door de Oosterstraat als ik het ineens begrijp. Ik denk dat ik  schrijf over de kleine kans dat ik ook nog dement word om maar niet te hoeven tobben over wat me met zekerheid nog te wachten staat. Alsof je uit angst voor de wortel uit negen nog maar eens de laatste stelling van Ferrat te lijf gaat.

foto (1)De laatste weken kramp in beide handen, waarbij de pink en ringvinger van mijn linkerhand even onwillekeurig omhoog staan als de pistoolvinger waarmee het allemaal begon. En als ik mij scheer – met rechts, ik doe alles met rechts, of toch bijna alles – fladdert die linkerhand als een vogeltje aan een touwtje alle kanten op. Kijk mij nou toch, zegt de man in de spiegel.

Dit is wie ik ben. Een man die besloten heeft dat het te doen is, dat het leven mooi is, zolang ik kan schrijven. Twee maal in de week loop ik op een rolband, fiets ik en roei ik, om fit te blijven. En uitgerekend het enige dat er echt toe doet – vinden mijn vingers de toetsen nog – blijkt bij vlagen niet te gaan. Woorden doen mij zeer.

In de Oosterstraat kom ik langs de hoedenzaak waar ik al zo vaak in de etalage heb staan turen. Ik heb mijzelf een hoed beloofd. Waarom? Mijn vader had een hoed; dat is reden genoeg. Maar tot vandaag was ik nooit naar binnen gegaan, zoals – stel ik mij voor – sommige mannen over de Wallen lopen. Een hoed was niets voor mij.

Dan valt alles samen. Misschien schrijf ik over dementie – ik heb een kans van één op twee dat mij dat overkomt – uit een vreemd soort loyaliteit met de man die ik niet wil worden. Misschien vertelt dat mij iets. Ik ga de winkel in en pas een hele reeks hoeden. De tweede blijft de beste. Alsof hij er altijd is geweest. Ik ben een man met een hoed.